Artikel ESB: Nederlandse staatschuld is relatief niet zo hoog

ROTTERDAM, 28 AUG. Als de regering rekening houdt met de enorme reserveringen voor pensioenvoorzieningen en met de uitgestelde belastingclaims op pensioenuitkeringen, wordt de hoge Nederlandse staatsschuld vergelijkbaar met die in ons omringende landen.

Dit schrijven de economen A.L. Bovenberg en C. Petersen in een artikel in het nieuwste nummer van Economisch Statistische Berichten.

Al eerder hebben financiële deskundigen de Nederlandse staatsschuld gerelativeerd door te wijzen op de pensioenreserves. Bovenberg en Petersen hebben nu de schulden van zes industrielanden gecorrigeerd voor de toekomstige belastingclaims van overheden op de pensioenuitkeringen en de opgebouwde pensioenverplichtingen.

In de meeste landen worden de overheidspensioenen via een omslagstelsel betaald, zodat er geen fondsvorming is om de uitkeringen te doen. Nederland kent een kapitaaldekkingsstelsel en heeft via het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds met 34 procent van het bruto nationaal produkt van alle industrielanden de hoogste vermogensvorming voor de ambtenarenpensioenen. Als de collectieve sector voor dit ABP-vermogen wordt gecorrigeerd, wordt de overheidsschuld van Nederland al vergelijkbaar met de schuld van Duitsland en Frankrijk, waar geen vermogensvorming voor ambtenarenpensioenen bestaat.

Wat de aanvullende (particuliere) pensioenen betreft, hanteert Nederland met de meeste andere landen de zogenoemde omkeerregel: de betaalde premies zijn aftrekbaar voor het belastbaar inkomen terwijl de pensioenuitkeringen belast worden. In feite geeft de overheid zo een lening aan de pensioensector, ten laste van het overheidstekort, waardoor de staatsschuld stijgt. Van de zes door de auteurs onderzochte landen hebben Nederland en Groot-Brittannië de grootste vermogens van institutionele beleggers (in procenten van het bruto nationaal produkt) opgebouwd.

Door de toenemende vergrijzing wordt de belastingclaim van het rijk op die uitkeringen steeds groter. Daarom stellen de auteurs voor dat de overheid aan de debetzijde van haar balans een post opneemt voor het toekomstige belastingtegoed. Wordt zowel het effect van de reserveringen voor ambtenarenpensioenen als dat van de reserves voor particuliere pensioenen in aanmerking genomen, dan resulteert voor Nederland een lagere overheidsschuld dan in Frankrijk en Duitsland: 33 procent van het bruto nationaal produkt, tegen 45 procent in Frankrijk en 38 procent in Duitsland. Voor Nederland blijkt deze aanpassing het grootst. De overheidsschuld daalt van 81 naar 33 procent van het bruto nationaal inkomen. Met dit resultaat neemt Nederland qua schuldpositie dan een middenpositie in.