Akkoord over dekking tekort bij omroepen

HILVERSUM, 28 AUG. Minister d'Ancona (WVC) en de omroepen hebben een akkoord bereikt over financiering van de tekorten bij de omroep tot en met 1993.

De omroepen verklaarden zich gisteren bereid per jaar 50 miljoen gulden uit de verenigingsmiddelen bij te dragen, terwijl de minister de resterende tekorten de eerstkomende jaren wil aanvullen uit de algemene omroepreserves.

In een brief aan de Tweede Kamer, die volgende week met d'Ancona over de toekomst van de omroep debatteert, laat de minister weten dat zij positief staat tegenover het NOS-voorstel. Het gisteren gepresenteerde plan van de omroepen gaat ervan uit dat de minister voor elke gulden die de omroep aan de programma's bijdraagt een gulden bijlegt.

De minister is bereid de bijdragen van de omroepen van 50 miljoen gulden per jaar aan te vullen met een bijdrage uit de algemene omroepreserves ter hoogte van 66 miljoen gulden in 1991, 57 miljoen in 1992 en 97 miljoen in 1993. De berekening van de tekorten is gebaseerd op de meest ongunstige ontwikkeling op de reclamemarkt en maximale concurrentie. Wat d'Ancona betreft, kunnen de omroepen nu een begin maken met het versterken van hun programma's.

In het voorstel van de NOS, dat niet wordt gesteund door VPRO en TROS, wordt de minister van WVC voor de keuze gesteld de reclame-mogelijkheden sterk te verruimen of de omroepbijdrage te verhogen. In feite doet ze nu geen van beide. De minister van WVC verzette zich in haar zogenoemde Pinksternotitie tegen het dit voorjaar door de gezamenlijke omroepen voorgestelde "verdiennet' van TROS en Veronica, waarmee met RTL4 de concurrentie moest worden aangegaan. Zij vond dat de omroepen maar uit de eigen verenigingskas 25 gulden per lid moesten bijdragen. Volgens de minister is het door haar voorstellen niet nodig dat omroepen de abonneegelden van hun bladen of contributies van de leden verhogen. Ook hoeft programma-onderbrekende reclame niet te worden geïntroduceerd. Hoewel de minister vasthoudt aan haar eis dat 10 procent van de tv-programma's aan kunst moet worden besteed, versoepelt ze die eis door kunstprogramma's in "prime-time' dubbel te tellen. Ook de documentaire zal tot de categorie kunst worden gerekend.

Nu al dragen de omroepverenigingen zelf jaarlijks tussen de 20 en 25 miljoen gulden bij aan de programma's. Het NOS-voorstel voorziet in een aanpassing en verruiming van de regels voor sponsoring van programma's. Daarnaast zouden de extra middelen moeten komen uit de exploitatie van het programmablad, nevenactiviteiten en de verkoop van programma's.

De TROS heeft zich tegen het NOS-voorstel gekeerd omdat deze omroep de financiële nood op een andere wijze denkt te kunnen lenigen; samen met Veronica onderzoekt de TROS de mogelijkheden om uit het bestel te stappen. De VPRO huldigt het principe dat een publieke omroep louter uit de publieke middelen moet worden betaald. Als de politieke wil ontbreekt om de omroepbijdrage te verhogen, dan moet de omroep het maar met minder zendtijd doen. NOS-voorzitter M. de Jong verwacht echter dat hij de beide omroepen toch van de noodzaak om aan zijn voorstel mee te werken kan overtuigen.

Omdat de vermogens van de verschillende omroepverenigingen sterk uiteen lopen, is in het NOS-voorstel een "bonus-element' ingebouwd, waardoor omroepen gestimuleerd worden hun eigen bijdrage te vergroten. De verdeelsleutel laat een eigen bijdrage voor een A-omroep zien tot 7 miljoen gulden per omroep per jaar, voor een B-omroep tot 4,2 miljoen gulden. De NOS is de enige deelnemer zonder eigen vermogen, maar de zendgemachtigde denkt toch te kunnen bijdragen door programmaverkoop en sponsoring van sportuitzendingen.