Oorlog in Joegoslavië bedreigt Nederlandse groei in textielsector

ROTTERDAM, 27 AUG. De Nederlandse textielindustrie heeft vorig jaar een exportstijging geboekt van twintig procent. De waarde van de uitvoer is daarmee op 3,8 miljard gulden uitgekomen. De waarde van de kledingimport nam in dezelfde periode toe met tien procent.

Dit blijkt uit het jaarverslag van de Fenecon, de Vereniging van Confectie- en Tricotage-ondernemingen in Nederland.

Ook in de jaren daarvoor groeide de export (in 1987 met vijf procent en in 1989 met elf procent). De meeste kleding wordt geëxporteerd naar (West-)Duitsland (41 procent) en België (34 procent). De kledingimport, ten bedrage van 7,8 miljard gulden, is voor zestig procent afkomstig uit EG-landen en voor 25 procent uit Azië (vooral Hong-Kong, Zuid-Korea en het snel industrialiserende China. Als het zogeheten "loonveredelingsverkeer' hierbij wordt betrokken, bedraagt de waarde van de import 8,7 miljard gulden.

De verkoop van kleding, gemeten in aantallen kledingstukken, steeg in 1990 met bijna tien procent. De winst per kledingstuk was wegens de scherpe concurrentie en de steeds vroegere uitverkoop niet groot. De eerste vijf maanden van dit jaar zette die stijging met bijna vier procent door, ondanks het natte, koude voorjaar. De mooie zomermaanden, maar vooral de uitstekende verkoop tot aan april compenseerden dit.

De Nederlandse kledingindustrie, nog steeds vooral gevestigd in Twente, de Achterhoek, Brabant en Limburg, maar met Amsterdam als commerciële hart, isdaarmee het dal uitgeklommen waarin ze in de jaren zeventig belandde. Een woordvoerder van de Fenecon ziet als oorzaak van dit herstel een accentverschuiving in de produktie; producenten richten zich met duurdere, kwalitatief goede kleding op het bovenste gedeelte van de markt en hebben daarbij het geluk dat de consument de laatste jaren ook betere kleding koopt.

Daarnaast hebben de producenten geïnvesteerd in nieuwe produktietechnieken, waardoor sneller op de veranderende vraag van de consument ingespeeld kon worden. Nederland staat internationaal bekend als een land dat snel kledingtrends oppikt en commercieel vertaalt.

De Nederlandse textielindustrie signaleert ondanks deze gunstige cijfers toch problemen, zoals de oneerlijke concurrentie door merkvervalsing, het uitblijven van een GATT-akkoord, illegale ateliers en politieke spanningen in Joegoslavië.

Dat laatste land is belangrijk voor de Nederlandse textielindustrie omdat Joegoslaven de in Nederland ontworpen en gesneden kleding voor een relatief laag loon in elkaar zetten. Daardoor blijft de prijs van het arbeidsintensieve produkt laag. De marketing en verkoop gebeurt dan weer in Nederland.

Een EG-verordening uit 1982, de zogenaamde loonveredeling, bepaalt dat elk textielland bepaalde quota aan halffabrikaten mag uitbesteden zonder dat er bij terugvoer invoerrechten over worden geheven. De EG sloot een dergelijke overeenkomst met de federale regering van Joegoslavië.

Van de totale Nederlandse kledingproduktie werd in 1990 meer dan zestig procent buiten ons land vervaardigd, waarvan het merendeel in Oost-Europa. Joegoslavië heeft daarin weer het belangrijkste aandeel. De burgeroorlog in dat land heeft nog niet tot grote problemen geleid voor de Nederlandse kledingondernemingen, maar de Fenecon heeft uit voorzorg vast aan de EG gevraagd of de loonveredeling die de EG aan Joegoslavië heeft toegekend ook zal toekomen aan een eventueel onafhankelijk Kroatië en Slovenië.