"Niemand moet zich hier uit de sloppen omhoog werken'

TOKIO, 27 AUG. Topsport is voor kansarmen vaak de enige startbaan naar rijkdom. Een aspect dat niet zelden wordt aangevoerd als verklaring voor het succes van de zwarte sporter. Ook in de internationale atletiek heet het naast de fysieke en psychologische factoren de verklaring te zijn voor de overheersing van donkere atleten uit Afrika, de Verenigde Staten en enkele Europese landen.

Opmerkelijk genoeg is de negen atleten tellende Nederlandse afvaardiging naar de wereldkampioenschappen atletiek in Japan volledig blank. “Als alle Surinamers die in hun eigen land aan sport deden dat na aankomst in Nederland fanatiek waren blijven doen, zou de ploeg er hier in Tokio wel anders hebben uitgezien”, denkt Letitia Vriesde, de Surinaamse die al bijna zes jaar in Rotterdam woont. “Ik ken mensen die in Suriname tot de besten behoorden en van wie niets is terechtgekomen. Omdat ze tussen wal en schip vielen. Omdat ze moeite hadden zich aan te passen.”

De Nederlandse atletiekunie organiseert regelmatig "allochtonen-dagen' om het ledenbestand een afspiegeling te laten zijn van de bevolkingssamenstelling. Technisch directeur Arie Kauffman meent overigens dat dat nu al het geval is. Hij erkent dat het aantal topatleten dat uit die bevolkingsgroepen voortkomt gering is. En dan vooral geconcentreerd is op een enkel onderdeel, zoals de sprint. Meervoudig wereldkampioene op de 60 meter, Nelli Fiere-Cooman, is daar het voorbeeld van.

Frankrijk en Groot-Britannië echter putten enorm uit hun "koloniale verleden'. De Britse ploeg van 89 atleten bestaat voor dertig procent uit donkere sportlieden. Bij Frankrijk zijn het weer vooral de sprinters, maar die zijn als estafetteploeg van wereldklasse. Overigens hebben de Fransen het voordeel dat lopers uit de Antillen onder Franse vlag lopen.

Bij de Britten is dat anders. Daar zet de tweede generatie van de migranten sinds het einde van de jaren zeventig de toon. Onder hen een groot aantal dat excelleert op de kortere afstanden (Linford Christie), met de 400 meter (Lorraine Hanson) en de 400 meter horden (Kriss Akabussi) als uiterste. De keuze voor die nummers komt volgens sommige theorieën door de specifieke lichaamskenmerken die zij voor de sprint zouden hebben, anderen denken dat het voornamelijk sociaal bepaald is. Zoals ze ook door hun omgeving naar de sportvelden worden gemanoeuvreerd. Met name op de middelbare scholen zouden zwarte leerlingen in die richting worden gestuurd. In het boek “Black Sportsmen” van Ernest Cashmore zeggen sportmensen dat de "push' meestal van de leraren kwam.

De boodschap luidde kort samengevat: “Richt je vooral op sport, daar ben je echt goed in.” Bovendien leeft de opvatting dat de natuurlijke aanleg de sprong naar de top uiterst eenvoudig maakt. John Isaacs, een bekende sprinttrainer en als assistent-coach van het Britse team aanwezig bij de wereldkampioenschappen in Tokio, is van oordeel dat “een zwart kind zonder enige training een goede honderd meter kan lopen. Ze komen gewoon naar de baan met hun sportschoenen en lopen de afstand moeiteloos in elf seconden.”

Kauffman gelooft dat de omstandigheden en sportcultuur in landen als de Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Britannië de grote invloed van de gekleurde sporters verklaart. “In Nederland is er niemand die zich uit de sloppen omhoog moet werken. Verder heeft Nederland niet de cultuur om in sport uit te blinken. In andere landen wordt het gewaardeerd, bij ons niet.”

“Ik denk dat de mensen in Nederland erg verwend worden”, zegt Letitia Vriesde, die gisteren vijfde werd op de 800 meter in een nieuw persoonlijk record van 1.58,25. “En er zijn ook weinig atleten die ze als voorbeeld kunnen nemen, waar ze naar op kunnen kijken. Maar het belangrijkste is misschien nog wel dat ze zich moeilijk aanpassen. Het komt ook door hun houding. Ze wonen in Nederland en zijn passief, denken negatief. Toen ik begon vond ik het ook niet leuk als enige donkere in een groep blanke meiden. Maar ik wilde gaan lopen. Ik ken jongens die in Suriname atletiek deden en nu niet meer. Omdat het ze tegenviel. De sfeer, de zware training en natuurlijk de winter. Ze kunnen zich niet voorstellen dat je gaat trainen in de kou.”

Voor de Rotterdamse, lid van AVR, is het een noodzaak in Nederland te blijven als ze op het hoge wereldniveau wil acteren. De accommodatie, de medische verzorging en de trainingstechnische aanpak van Haico Scharn staan op een niveau dat in haar vaderland niet gehaald kan worden. Ze heeft, onder meer via de Nederlandse Sport Federatie, geprobeerd de Nederlandse nationaliteit te krijgen. Al was het maar om praktische redenen. De eerste vijf jaar had ze geen verblijfsvergunning, moest ze zich maandelijks melden bij de vreemdelingenpolitie. Voorafgaand aan iedere buitenlandse wedstrijd kon ze erop uit om een visum aan te vragen en bij terugkeer in Nederland duurde het regelmatig een half uur voordat vast was komen te staan dat ze niet illegaal in ons land verbleef.

Haar familie betaalt haar studie SPD en haar sport, ze heeft een kleine uitkering van de Rotterdamse sportstichting, de Surinaamse atletiekbond bekostigt de deelneming aan grote toernooien en legerleider Bouterse heeft haar financiële steun toegezegd van het land waar ze net als zwemmer Anthony Nesty wordt bewonderd. Dat geld moet overigens nog komen. “Moeilijkheden met de centrale bank, geloof ik.”