Lotsverbonden

Ik heb me bij vrouwensolidariteit nooit veel kunnen voorstellen. En ik heb er ook nooit veel van gemerkt.

Ik vond het destijds - in het begin van de tweede feministische golf - wel een mooie gedachte: het idee dat vrouwen niet langer in isolement leden onder de vele manieren waarop ze er onder werden gehouden, maar zich verbonden gingen voelen met andere vrouwen en daaruit kracht putten; de kracht van het collectief en van de gedeelde definitie van het kwaad.

Maar bij mij werkte het niet. Niet dat ik nu zo vrij was van woedes en frustraties, maar deze emoties liepen niet voldoende langs de lijnen der seksen. Het kwaad kwam onvoldoende bij mannen terecht, en het goed maar mondjesmaat bij vrouwen. Was dit een teken van geborneerde blindheid of juist van lovenswaardige onpartijdigheid? Al vond ik natuurlijk dat laatste, ik merkte wel steeds meer dat ik iets miste: de echte feministische woede die de grondslag vormt voor de beweging en voor de categorische vrouwensolidariteit. Zonder dat gevoel blijf je je ongemakkelijk voelen in de beweging, alsof je een vitale vitamine ontbeert, iets als "the right stuff' voor de juiste visie en de juiste houding. Zo groot is de kracht van de beweging dat je dat als tekort gaat voelen, terwijl je het buiten hun deur nog zo gek niet vindt.

Maar in hoeverre bestaat nu die veel geroemde solidariteit onder vrouwen? Op het gebied van het werk laat dit, is mijn indruk, nog veel te wensen over. De schaarse vrouwen die hogerop zijn gekomen blijven soms liever hun zelfstandigheidswaarde behouden. Vanuit het gevoel het zelf op eigen houtje zover gebracht te hebben, voelen ze er weinig voor hun hand uit te steken om de achterblijvers omhoog te trekken. Maar ook zij merken weinig van een solidariteit van andere vrouwen. En als ze al iets van een wij-gevoel merken, dan is het eerder een solidariteit in het elkaar omlaag proberen te houden. Anja Meulenbelt typeerde dit treurige mechanisme jaren geleden al als de krabbenmand: de omhoog-klauteraars worden door de anderen weer naar beneden getrokken. Liever allemaal samen in hetzelfde droeve schuitje dan het verdragen dat sommigen aan hun lot ontkomen. Het zijn natuurlijk niet alleen vrouwen die andere vrouwen omlaag houden. Ook mannen houden vrouwen tegen en er onder, maar dat valt makkelijker te herkennen, te doorzien en te haten. Misschien omdat vrouwen toch een soort solidariteit van soort- en lotgenoten verwachten, misschien ook omdat vrouwen hun afgunst indirecter en ingewikkelder uiten: in zuurte en berisping.

Vrouwen zijn streng voor zichzelf en streng voor elkaar. Wat hier natuurlijk altijd meespeelt is dat vrouwen op werkgebied nieuwkomers zijn, door mannen met argusogen bekeken, en door de al zittende vrouwen niet minder. Want een fout van een vrouw kan terugslaan op alle anderen. En de vrouwen die wat bereikt hebben, zo vinden hun minder fortuinlijke zusters, hebben een voorbeeldfunctie. Dat schept verplichtingen, waar ze niet om gevraagd hebben maar waarvan het moeilijk is zich er aan te onttrekken. Dat ervoer ook Andrée van Es, die haar fractievoorzitterschap opgaf voor het moederschap, wat haar door andere vrouwen zeer kwalijk werd genomen.

Mijn beste ervaringen met vrouwensolidariteit heb ik opgedaan op het schoolplein. Een plek waar ik het 't minst verwachtte want wat geeft dat nu voor band, het dagelijks brengen en halen van je kind. Maar juist dan blijken moeders vaak even voor elkaar in te springen en voor elkaars kinderen te zorgen, bij ziekte, zwangerschap of ander ongerief. Waarom lukt het hier wel en op andere gebieden, zoals werk, veel moeizamer? Ik denk omdat een eenvoudig principe aan deze solidariteit ten grondslag ligt, en dat is de ruil van diensten. De hulp van vandaag biedt de mogelijkheid van het beroep op hulp morgen. Dit geldt natuurlijk ook op het werk, maar daar overheersen soms andere wetten en emoties; die van angst voor je positie en rivaliteit om schaarse plaatsen en beloningen. De wereld van het schoolplein mag dan voor kinderen soms een jungle zijn, voor de moeders is het een plaats waar iets bestaat als verbondenheid met soortgenoten in het moeizame geregel van het overvolle bestaan.