Leo Horn

Deze maand is het 25 jaar geleden dat scheidsrechter Leo Horn afscheid van zijn arbitrerende rol in de voetballerij nam. Het was, naar eigen zeggen, niet zijn grootste hobby. Textiel verkopen en jagen gingen voorop, maar in de achttien jaren waarin hij floot groeide hij uit tot een van de bekendste scheidsrechters ter wereld - hoewel hij slechts éénmaal op een wereldkampioenschap mocht fluiten, namelijk dat van 1962 in Chili: het werd niet het meest geslaagde van de heel indrukwekkende serie, die in 1930 van start ging.

Horns laatste wedstrijd was Ajax tegen het Bulgaarse nationale elftal op 31 augustus 1966. Het waren vreemde tijden: twee dagen voordat Leo Horn de fluit opborg, veroorzaakte minister Smallenbroek een aanrijding met een geparkeerde auto in een Haagse straat, wat hem zijn ministerschap kostte. Diezelfde maand had Jan Kiepura de laatste adem uitgeblazen. Hij was een Poolse tenor, die mij in de dertiger jaren tot spijbelen verleidde, omdat hij in een Duitse film vanuit het topje van een mast zingend de hoge c moeiteloos leek te halen. Kiepura was getrouwd met Martha Eggert, een van die Hongaarse nachtegalen die op celluloid de illusie wakker hielden dat het leven een sprookje was.

Dat dacht Horn toen wellicht ook nog, maar Wereldoorlog II deed hem en ons uit die droom ontwaken. Hij ging in het verzet en was daar later terughoudend over. Hij was als arbiter een Amsterdamse bluffer en showman, die zich heel veel kon permitteren en - net als sommige voetballers - gaarne uitprobeerde hoe ver hij kon gaan zonder zichzelf te beschadigen. Ik heb het meegemaakt dat hij bij een scheidsrechtersbal het leer rechtstreeks over de zijnlijn gooide en priemend met zijn hand naar een speler riep: “Jij gooit in”. Op dat moment moet de uitvinder der spelregels zich geërgerd in zijn graftombe hebben omgedraaid.

Horn had een grote waffel, veel flair, een natuurlijk overwicht op mensen en een klein hartje. Als ik hem tegen het lijf loop in een stadion, begint hij vaak over dat korte bezoekje dat ik hem destijds in de vijftiger jaren in zijn Londense hotel bracht, een paar uur voordat hij de topper Engeland-Hongarije (3-6) moest leiden. De dialoog kan nauwelijks briljant zijn geweest, maar het feit dat een landgenoot hem sterkte kwam wensen vlak voor een moeilijke klus had hem getroffen.

Leo Horn had moed. In 1962, bij een van de beide Europese bekerfinales die hij mocht arbitreren, weigerde hij Alfredo di Stefano een strafschop te geven, toen die Real Madrid via een wanhoopsoffensief alsnog naast Benfica trachtte te loodsen. Di Stefano was toen de befaamdste voetballer van Europa. Horn placht ook spelers, die in zijn ogen aanstalten maakten om een overtreding te gaan maken, tot de orde te roepen. De onvermijdelijke vraag klinkt of Horn onder de huidige omstandigheden gefloten zou hebben zoals hij destijds deed. Ik denk het niet. Aan de ene kant lijken veel spelers om straffe leiding te smeken - zij roepen immers altijd dat zij willen weten waaraan zij toe zijn - daar staat dan tegenover, dat zij veel mondiger zijn geworden en De Grote Dictator in het donkere pak niet in alles zouden accepteren.

Het verstand mag betogen dat er autoriteit moet zijn, het gevoel (plus het eigenbelang) redeneren daar vaak dwars tegenin. Door zijn krachtige persoonlijkheid zou Horn ook in de negentiger jaren een prominent arbiter zijn geweest, maar hij zou vermoedelijk zijn flamboyante natuur wat meer in bedwang hebben gehouden. Hij zou bijvoorbeeld niet in de fout zijn vervallen, welke hem ooit overkwam tijdens Engeland-Zwitserland. In de laatste minuut veroorzaakte een Zwitserse verdediger een van verre zeer zichtbare strafschop - die Horn weigerde te geven. Waarom? Dat vroeg ook scheidsrechtersbaas sir Stanley Rous hem na afloop. Horns antwoord bevredigde de rechtlijnige Brit allerminst. “Ik vond het zielig voor de Zwitsers. Die stonden toch al met 5-0 achter.”