Judiths goddelijke inspiratie

Judith is een Oud-Testamentische naam. Er zou zelfs een boek Judith zijn, maar dit is in de Bijbel niet te vinden.

In de loop van de eeuwen hebben een paar heren danig in het Oude Testament geschrapt. Een ernstige zaak want de bedoeling van een testament is dat het nageleefd en niet geschonden wordt. Maar de heren die het schrapten stelden vast, op grond waarvan is onbekend, dat het boek Judith niet door God geïnspireerd was. Waardoor het mij, met mijn naam die van Judith is afgeleid, juist hevig ging intrigeren. Ik wilde met mijn eigen ogen wel eens zien waarom dat boek niet zou deugen. Jaren ben ik ernaar op zoek geweest en onlangs heb ik het gevonden. Bij De Slegte lag een boekje met het opschrift "Het boek Judith'. Op het binnenblad staat: "Zijnde het eerste van de apokrijfe boeken, herdrukt naar de uitgave van 1873'. Apocrief wil zeggen: verdacht, door de kerk niet als authentiek aanvaard.

Nebukadnezar, koning van Assyrië (zijn bijnaam was Nabucco, naar wie Verdi in 1842 de gelijknamige opera schreef met het beroemde slavenkoor) was rijk en machtig en zond gezanten naar vele landen. Maar zij werden teruggestuurd, waarop de koning besloot dat zijn legeraanvoerder Holofernes deze landen moest onderwerpen. Bang geworden gaven vele volkeren zich haastig over, maar de kinderen Israel, die het land Juda bewoonden, weigerden en verdedigden hun stad Bethulië. Met geweld trok Holofernes naar hen op, maar hij had geen schijn van kans - de stad was onneembaar. Buiten de poorten vond hij echter de bron, die de stad van water voorzag en verwoestte die. Na twintig dagen waren alle watervoorraden op en stierven de mensen van de dorst. Koning Ozias, vorst van Juda, zag dit als een vingerwijzing Gods. Hij wachtte nog vijf dagen. Kwam er geen water, dan was het Gods wil dat hij zich overgaf.

Toen Judith, een welgestelde weduwe zonder kinderen, dit hoorde, ging ze naar Ozias. Ze zei dat ze de stad kon redden, als hij haar toestond buiten de poorten te gaan. Ozias stemde toe. Judith ging naar huis en bad tot God. Daarna hulde zij zich in een prachtig gewaad en beval haar dienstmaagd Abra een zak met voedsel te vullen en met haar mee te gaan. Samen verlieten ze de poort. Weldra ontmoetten zij Holofernes' soldaten, die haar vroegen waarheen zij gingen. Waarop Judith antwoordde: “Ik ben een Hebreeuwse vrouw en ben van hen gevloden; want ik weet dat zij in uw handen zullen vallen, omdat zij u veracht hebben. Daarom heb ik mij voorgenomen naar Holofernes te gaan, opdat ik hem hunne geheimen openbare en hem zegge, hoe hij de stad gemakkelijk kan overwinnen en niet één man behoeft te verliezen.”

De soldaten brachten haar naar de tent van Holofernes, die terstond in liefde tot haar werd ontstoken. En Judith, zodra ze Holofernes zag zitten onder zijn verhemelte, dat schoon gewerkt was met purper en goud en met smaragden en vele edelgesteenten versierd, viel voor hem neder en boog zich voor hem. Maar Holofernes beval haar op te staan. En Judith sprak:“Omdat er in de stad geen water is, houden de mensen zich niet meer aan de wetten. Waardoor God hen zal straffen. God zal mij openbaren, wanneer Hij het volk Israel het loon wil geven voor hun zonden. Als het moment daar is, wil ik naar u komen en u midden door Jeruzalem leiden. Opdat gij al het volk van Israel hebt, als schapen die geen herder hebben; En geen hond zal u durven aanblaffen. Want dat heeft God mij geopenbaard.”

Holofernes nodigde Judith nu bij hem aan tafel. Maar omdat ze niet wilde zondigen, at ze alleen wat haar dienstmaagd Abra haar bereidde. En ze verzocht Holofernes 's morgens en 's avonds uit te mogen gaan voor haar gebed. Dat vond hij goed. Op de vierde dag dat Judith bij Holofernes was, werd er een groot maal bereid. Judith at weer alleen haar eigen voedsel en Holofernes was vrolijk met haar en dronk meer dan hij anders placht te drinken. Toen het laat werd, gingen allen naar hun eigen tenten. Alleen Judith bleef bij Holofernes. En toen hij - dronken - in bed lag en sliep, pakte Judith het zwaard dat boven zijn bed hing en sneed hem het hoofd af. Ze vroeg Abra om de zak waar het voedsel in gedaan was en stopte daar nu het hoofd van Holofernes in. Ze vertrokken vroeg in de ochtend met de zak en deden of ze op pad gingen voor hun gebed. Heimelijk kwamen zij bij de poort van de stad. Daar weer veilig binnen, haalde Judith het hoofd van Holofernes tevoorschijn, zei dat ze dat buiten de stadsmuur moesten hangen en met veel geschreeuw een uitval moesten doen. De soldaten van Holofernes zouden ervan schrikken, hun bevelhebber onthoofd in zijn bed te vinden en op de vlucht slaan. En zo geschiedde.

Voordat deze testamentaire neerslag uit het Oude Testament gelicht was, heeft Judith vele kunstenaars geïnspireerd. In vele musea is een "Judith' te vinden. Zo zag ik onlangs in het Bonnefanten-museum in Maastricht een schilderij van Lucas Cranach de Oudere (1472-1553), waarop Judith staat afgebeeld. Ze is gekleed als een middeleeuwse ridder met een hoed met veren op haar hoofd, en in haar fors geschilderde hand heeft ze een groot zwaard. Voor haar ligt het afgehouwen hoofd van Holofernes.

Maar ook nadat het boek apocrief en zo goed als onvindbaar was geworden, bleef Judith kunstenaars boeien. Zo heeft onder andere de kunstschilder Gustav Klimt (1862-1918) haar in zijn werk vastgelegd. Klimt, toch al bezeten van de bedreiging van de man door de seksualiteit van de vrouw, schilderde haar tweemaal als "femme fatale', wat Holofernes betreft een letterlijke omschrijving. Schilderstuk Judith 1 (1903) hangt in de Österreichische Galerie te Wenen, Judith 2 (1909) in de Gallerie d'Arte Moderna in Venetië. Prachtige werken, die Judith voor de eeuwigheid bewaren. Waarmee bewezen wordt dat goddelijke inspiratie zelf zijn werk doet en niet door wie dan ook valt uit te wissen.

Foto: Gustav Klimt: Judith und Holofernes, 1903.