Journalistiek

Beste Flip,

Omdat de redactie van het radioprogramma Met het Oog op Morgen, waarin ik de politieke rubriek verzorg, niet geheel ten onrechte van mening was dat ik de boog nu lang genoeg had ontspannen, zat ik twee weken geleden 's avonds om half acht in een broeierig zaaltje van het vergaderetablissement Hoog-Brabant te Utrecht.

In een ander zaaltje hadden Wim Kok, Marjanne Sint en Thijs Wöltgens achter gesloten deuren hun eerste ontmoeting na de vakantie met het kader van de Partij van de Arbeid, de voorzitters en secretarissen van de zeventien gewesten die in opstand waren gekomen tegen de WAO-voornemens van het kabinet.

Hoewel de persconferentie nog wel een paar uur op zich zou laten wachten, was ik toch maar alvast achter een tafeltje op de eerste rij gaan zitten, want ik moest mij nog helemaal voorbereiden en dat is een karweitje waar ik altijd knap zenuwachtig van word.

Ik had weken kranteknipsels voor me uitgespreid, documentatie van de vakbeweging, en nog wat eigen aantekeningen. Wat waren de hoofdlijnen? Wat hadden de hoofdrolspelers de afgelopen dagen letterlijk gezegd? Welke varianten waren denkbaar? En hoe zouden ze het dan naar buiten brengen?

Ik zou een interview moeten maken. Met Sint? In elk geval niet wéér over haar vakantie; maar vragen of ze niet beter kon aftreden had ook weinig zin. Kok dan, maar die zou de zaak natuurlijk toedekken. Eigenlijk zou ik die gewestvoorzitters moeten uitvragen, maar die rennen altijd meteen weg.

Toch maar een blaadje met vraagpunten maken, en een paar puntige formuleringen noteren. Hoeveel tijd had ik nog? Wanneer kreeg ik dit vak nou eens onder de knie?

Toen ik even opkeek, stonden er twee jonge jongens voor mijn tafeltje, die mij verwachtingsvol aankeken. “Mogen wij u even storen?” vroegen zij beleefd. Ik geloof zelfs dat ze ”meneer' tegen me zeiden. Ik knikte, waarop een van hen sprak: “Wij zijn van de Omroep Utrecht, wat is een goeie vraag?” Verbluft staarde ik ze aan. “Dat hangt er van af wat je wilt weten”, hoorde ik mezelf zeggen. Maar pas na een poosje begreep ik wat ze bedoelden: ze moesten voor hun omroep iets maken en hadden maar weinig benul waar het over ging aan de overkant van de gang.

Nadat ik eerst mijn eigen huiswerk had gedaan, ben ik even met ze gaan praten. “Je zou bij voorbeeld kunnen vragen of het kader nog vertrouwen heeft in de leiding”, zei ik. Dat schreven ze allebei op. Het leken me wel aardige jongens, een beetje woordarm, maar dat zal wel aan mij hebben gelegen. Want ik had ergens een deur half open zien staan, waarachter je heel goed kon horen wat Kok en Sint te vertellen hadden en daar wilde ik wel even naar toe (aan de deur luisteren blijft de mooiste achtergrondinformatie, vind ik).

Die jongens hadden dus niet veel aan me. Ze demonstreerden wel weer het beginnersmisverstand, dat het na elkaar oplezen van tien vragen die je thuis bedacht hebt, een vraaggesprek zou opleveren. Aan sommige leerlingen van de school voor de journalistiek, die op mij kwamen oefenen, heb ik die werkwijze zelf ook wel ervaren - een nuttige gewaarwording, omdat je dan zelf eens ondergaat wat een frustratie een vraaggesprek aanricht dat niet loopt. Vanaf een andere planeet leest zo'n jongen zijn vragen voor, en bij iedere vraag heb je dan de keuze te antwoorden met “dat weet ik niet”, of een lange uiteenzetting te beginnen om de misverstanden een beetje recht te zetten. Maar van lang houden ze nooit zo. Ze willen hun volgende vraag stellen. Het wachten is dan alleen nog maar op het verlossende ogenblik, dat zo'n jongen of meisje onveranderlijk zegt: “Ik heb 't wel, denk ik”, waarna de geïnterviewde geheel uitgehold en verbijsterd achterblijft.

Maar misschien til ik er te zwaar aan. Een feit is wel, dat ik zelf steeds meer opzie tegen het afnemen van interviews. Want of ik weet het antwoord al, of ik besef dat de ander niet kán antwoorden. Vooral die wekelijkse gesprekken met Lubbers zijn martelend; maar daarover misschien later eens.

Maar vind jij ook niet dat regionale omroepen zich in hun berichtgeving zouden moeten beperken tot regionale zaken?

Dat strijkijzer kom ik wel eens aanreiken als ik bij je in de buurt ben.

Als immer, je Kees Sorgdrager