Delegatie matigt kritiek op volksverhuizingen Irian Jaya

JAYAPURA, 27 AUG. De zeven leden van de vaste Kamercommissie voor ontwikkelingssamenwerking en de meereizende griffier die een bezoek brengen aan Indonesië en Nieuw-Guinea hebben in drie dagen een paragraafje geschiedenis geschreven. Sinds Nederland in 1962 afstand deed van westelijk Nieuw-Guinea is er geen Kamerdelegatie in Irian Jaya geweest.

De parlementariërs brachten een bezoek aan het provinciale planbureau, de Universiteit van Jayapura en een transmigratiegebied ten zuiden van de hoofdstad. Ze spraken met medewerkers van door kerkelijke organisaties bestierde ontwikkelingsprojecten en kregen een uur belet bij gouverneur Barnabas Suebu.

Irian Jaya is om twee redenen opgenomen in het programma: het gewicht van de mensenrechtenproblematiek in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid en de zorg over de toekomst van de inheemse bevolking. Die staat onder druk als gevolg van grootschalige winning van hout en mineralen en de toevloed van gelukzoekers uit andere delen van Indonesië.

Wat betreft de in Nederland fel bekritiseerde transmigratie zijn “zekerheden omgeslagen in twijfels”, zoals Kamerlid Beckers van Groen Links het formuleerde. Na een halve dag rondrijden over de modderige wegen van Arso, een transmigratiegebied midden in het tropische regenwoud, was de kritiek aanzienlijk gedempt. In deze streek hebben zich sinds 1983 ongeveer 4.500 Indonesiërs van elders, hoofdzakelijk Javanen, gevestigd als boer.

De genuanceerde geluiden klonken Kamerbreed. E. Terpstra (VVD): “Je kunt niet meer spreken van het klakkeloos overplanten van mensen. Deze pioniers zijn sterk gemotiveerd; ze zagen geen toekomst meer in Java, waar de mensen vanwege de bevolkingsdruk over de rand vallen”. Delegatieleidster J. Verspaget (PvdA) formuleerde het wat omzichtiger, maar vond het bezochte project “geslaagd”. Kamerlid Tommel (D66): “Wat ik zag, viel me mee. Ik heb bovendien de indruk gekregen dat de spontane toestroom van migranten een veel grotere economische bedreiging vormt voor de Papoea-bevolking dan deze geplande volksverhuizing”.

De activiteiten van de Organisatie Vrij Papoea (OPM) zijn in bijna alle gesprekken aangesneden. De Kamerleden hadden de indruk dat het aantal gewapende OPM'ers de honderd nauwelijks te boven gaat. De meeste Papoea's zouden de guerrillastrijders wel tot de hunnen rekenen, maar nauwelijks sympatiseren met het onafhankelijkheidsstreven van de OPM. Men vond de inzet van duizenden Indonesische militairen “contraproduktief” en betreurden het gebrek aan openheid over dit probleem bij de autoriteiten.

De Kamerleden waren zonder uitzondering onder de indruk van gouverneur Barnabas Suebu, een in het voormalige Hollandia geboren en aan missiescholen opgeleide Papoea. Hij is volgens alle delegatieleden oprecht begaan met het lot van de inheemse bevolking en zou van zijn smalle marges optimaal gebruik maken om de economische positie van de Papoea's te versterken.

De parlementariërs zijn van mening dat Irian Jaya te weinig profiteert van de enorme opbrengsten uit de mineralenwinning in de provincie. Het CDA-Kamerlid Van Leijenhorst: “Alles vloeit in de centrale kas en het aandeel van Irian in die centrale middelen is gering.” Terpstra: “De verdeelsleutel is afgestemd op inwonertal en bestaande economische activiteiten. Ik heb daar grote twijfels over.”

Tot nu toe komt Irian Jaya niet in aanmerking voor hulp van de Nederlandse overheid aan Indonesië. Wel wordt hulp gegeven via particuliere organisaties. Een meerderheid van de delegatie wil dat zo houden, maar met een niet onbelangrijke kanttekening. Verspaget: “De behoeften zijn groot. Het lijkt me het meest logische dat de steun aan lokale, niet-gouvernementele initiatieven wordt opgevoerd, want vooral kerkelijke organisaties verrichten hier grootse prestaties”. Zij repte zelfs van Irian Jaya als potentieel aandachtsgebied van de Nederlandse hulp, maar dan uitsluitend via medefinanciering van particulier initiatief.