De toezichthouders op de sociale zekerheid

Sluitstuk in de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetten AAW en WAO is de Sociale verzekeringsraad (SVR), die in 1952 is opgericht. Deze raad adviseert de minister van sociale zaken en werkgelegenheid over wettelijke maatregelen en regelingen op het hele terrein van de sociale verzekeringen.

Daarnaast moet de SVR toezicht houden op organisaties die met de uitvoering van het sociale zekerheidsstelsel zijn belast. Dat zijn de bedrijfsverenigingen, de Gemeenschappelijke medische dienst en de Sociale Verzekringsbank (die de Algemene ouderdomswet, de Algemene weduwen- en wezenwet en de algemene kinderbijslagwet verzorgt), alsmede de vier fondsen die de geldstromen beheren.

Tenslotte waakt de SVR over de feiten.

De SVR wordt niet alleen bestuurd door (acht) werkgevers en (acht) werknemers, zoals de bedrijfsverenigingen en de GMD, maar ook door (acht) "onafhankelijke leden' benoemd door Sociale Zaken. Bovendien wordt zijn voorzitter door de Kroon benoemd. De raad, met 330 medewerkers, heeft een tamelijk turbulente tijd achter de rug. Hij stond bloot aan nogal wat kritiek, die zich toespitste op zijn toezichthoudende taak. Het resulteerde begin dit jaar in een ingrijpende reorganisatie, waarbij voor de drie kerntaken (advies, toezicht, informatie) nieuwe directeuren werden benoemd. Een nieuwe algemeen secretaris wordt nog gezocht.

Als adviseur moet de SVR ook de kwaliteit van de wetgeving en de uitvoerbaarheid ervan in de gaten houden. In dit verband wordt het SVR-advies over de vrij ingewikkelde nieuwe WAO-plannen van het kabinet interessant. De raad zal dan ook in kunnen gaan op de vraag of het billijk is dat de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte ambtenaren, militairen en medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen buiten schot blijven, daar zij niet onder het WAO-regime vallen, maar een invaliditeitspensioen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, het Spoorweg pensioenfonds of Defensie genieten. Eind vorig jaar ging het hierbij om 91.922 van de 881.596 arbeidsongeschikten.

Als toezichthouder heeft de SVR vorig jaar voor het eerst publiekelijk verantwoording afgelegd over zijn werkwijze. Dat gebeurde met een vooronderzoek naar de uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen. Die lopen nogal uiteen en zijn forser gestegen dan het beroep op AAW en WAO, een tendens die zich ook de komende jaren zou voordoen. Zo stegen de AAW-uitgaven tussen 1984 en 1989 met 14 procent, terwijl de uitvoeringskosten 21 procent opliepen. In dezelfde periode stabiliseerden de WAO-uitgaven, maar de uitvoeringskosten stegen met 23 procent. Alle reden dus om deze posten eens kritisch onder de loep te nemen. Maar de conclusie uit het "Eerste voortgangsrapport' doet het ergste vrezen: een zinnige vergelijking van kostenniveaus van uitvoeringsorganen zonder nader onderzoek naar de kwaliteit van de uitvoering en de geleverde presaties is slechts zeer beperkt mogelijk.

Als bewaker van de feiten zou de SVR uit moeten kunnen leggen waar het verschil vandaan komt tussen de "eigen' cijfers (eind vorig jaar 881.596 arbeidsongeschikten) en de opgave van de GMD (819.600). De GMD telt 91.922 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte ambtenaren, militairen en NS'ers niet mee, omdat deze dienst niets met hen te maken heeft, maar als dit aantal van de SVR-telling wordt afgetrokken gaapt er nog steeds een opmerkelijk gat van 29.926 arbeidsongeschikten. De SVR heeft echter geen precieze verklaring. “Het baart ons zorgen. We hebben het in onderzoek.” De GMD houdt het erop dat hij de verstrekte AAW- WAO-adviezen telt, terwijl de SVR de ingegane uitkeringen registreert. “Het verschil zit in de pijplijn”.

Doorgaans blijft de SVR op de achtergrond. Maar soms treedt men naar buiten. Als voorzitter dr. H.O.C.R. Ruding van de christelijke werkgeversvereniging NCW beweert (in Trouw) dat de - van half juli daterende en inmiddels achterhaalde - kabinetsplannen minder drastisch zijn dan wordt beweerd omdat “het gros van de WAO'ers op het minimumniveau” zit (dat niet wordt aangetast), dan meldt de SVR dat het gros van de WAO'ers onder de vijftig jaar (237.000 van de 288.000, gerekend op 1 juli volgend jaar) er juist wel op achteruit zal gaan, omdat zij hun bovenminimale WAO-uitkering zullen kwijtraken. (Dit is het zesde deel. De vorige verschenen op 16, 20, 21, 24 en 26 aug.)