De paradox van de vlaktaks

Sluipenderwijs voert Nederland de "vlaktaks' in: een heffing met als grondslag het persoonlijke inkomen en een en hetzelfde tariefpercentage (flat rate) voor alle belastingbetalers, arm en rijk.

De invoering van de vlaktaks is het grotendeels onbedoelde en slecht begrepen eindresultaat van een proces, waarbij het toptarief van de inkomstenbelasting in stappen omlaag gaat, terwijl de massa van de belastingplichtigen met steeds hogere tarieven van doen krijgt.

Op 1 januari 1990 is het hoogste tarief van de inkomstenbelasting verlaagd van 72 tot 60 procent. Hoewel veelverdieners enkele aftrekposten kwijtraakten, kregen zij door deze tariefverlaging ongeveer een miljard gulden toegestopt. Bij de onderhandelingen over het twee jaar geleden gesloten regeerakkoord probeerde de PvdA -delegatie deze lastenverlichting nog ongedaan te maken, maar het CDA hield voet bij stuk. Wel spraken beide partijen af dat er een nieuwe commissie voor de belastingherziening zou komen.

Deze commissie-Stevens rapporteerde anderhalve maand geleden. In haar rapport Graag of niet geeft de commissie in overweging het toptarief van de inkomstenbelasting verder te verlagen tot 55 procent. Daartegenover verliezen welvarende belastingplichtigen opnieuw bepaalde aftrekposten. Desondanks zouden bij integrale uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-Stevens de vijftigduizend belastingplichtigen met de hoogste inkomens (boven de twee ton) samen 145 miljoen gulden lastenverlichting krijgen. Dat komt overeen met gemiddeld drieduizend gulden per belastingbetaler. Zulke inkomensgevolgen zijn voor velen slecht verteerbaar, juist in een tijd dat de koppeling van de sociale uitkeringen aan de lonen in de marktsector op losse schroeven staat. Vandaar dat het hoogste tariefpercentage slechts in fasen zakt.

Met ingang van 1990 kent het tarief van de inkomstenbelasting nog maar drie schijven, waarover een oplopend percentage is verschuldigd. Over het inkomen in de eerste schijf was vorig jaar 35 procent verschuldigd (13 procent belasting en 22 procent premies voor de volksverzekeringen). Driekwart van alle belastingbetalers komt met zijn inkomen niet boven de eerste schijf uit. De middengroepen steken met de top van hun inkomen in de tweede schijf. Zij betalen over hun inkomen, voor zover dat in de tweede schijf valt, 50 procent belasting. Wie meer dan een ton verdient, betaalt over het meerdere 60 procent (derde schijf).

Stelling: zonder ingrijpende maatregelen betaalt de massa over tien tot vijftien jaar hetzelfde percentage als de middengroepen (ongeveer 50 procent). Bewijs: dit jaar is het percentage van de eerste schijf verhoogd van 35 tot bijna 36 procent, volgend jaar ligt het ruim boven de 37 procent. Deze tariefstijgingen zijn uitsluitend het gevolg van de forse stijging van de premies voor de volksverzekeringen (AAW, AOW, AWBZ), die alleen verschuldigd zijn over het inkomen in de eerste schijf. In de nabije toekomst zullen deze premies blijven stijgen, waardoor het percentage van de eerste schijf steeds dichter toekruipt naar dat van de tweede schijf. De AAW-premie rijst de pan uit door het onvermogen een dam op te werpen tegen de wassende vloed van arbeidsongeschikt verklaarden. De AOW-premie loopt langzaam op onder invloed van de vergrijzing van Nederland. De AWBZ-premie wordt fors hoger, door plannen van het kabinet om deze regeling te verbreden tot een nieuwe basisverzekering tegen ziektekosten. Daartoe worden steeds meer voorzieningen onder de AWBZ gebracht (gezinsverzorging, huisarts). Door de voortgaande premiestijgingen zal het percentage van de eerste schijf al over enkele jaren boven de veertig komen te liggen.

Vervolgens is het een kwestie van tijd voordat de massa en de middengroepen in tarieftermen fuseren. Dan betaalt de overgrote meerderheid van de bevolking ongeveer 50 procent voor zover haar inkomen hoger is dan belastingvrije som. Het toptarief van 55 of 60 procent geldt in die situatie slechts voor enkele honderdduizenden belastingplichtigen met een inkomen van een ton of hoger. De vlaktaks is dan al bijna een feit.

Vroeger beschouwden politici het progressieve tarief van de inkomstenbelasting als herverdelingsinstrument bij uitstek. Naarmate deze heffing zich meer en meer tot vlaktaks ontwikkelt, wordt dit inkomenspolitieke instrument echter steeds botter. Een hernieuwde verhoging van het toptarief tot zeg 70 procent zou de inkomensverschillen verkleinen maar kan de positie van onze economie schaden, gezien de veel lagere toptarieven in de ons omringende EG-landen. Als noodgreep willen sommige politici dan maar de jaarlijkse inflatiecorrectie achterwege laten, opdat de gebruikelijke koopkrachtplaatjes een prettig inkomensbeeld tonen. Die beleidsmakers beseffen onvoldoende in welke paradoxale spiraal zij gevangen zitten.

Zonder inflatiecorrectie blijven de schijflengten gelijk, terwijl de inkomens - vooral door de geldontwaarding - stijgen. Hierdoor schuiven steeds meer mensen op naar een volgende schijf; zij zouden straks van de 50- naar de 60-procentschijf gaan, zonder dat hun koopkracht veel toeneemt. Het hogere geldinkomen is immers door de inflatie uitgehold. Zou een reeks kabinetten de inflatiecorrectie achterwege laten, dan loopt de 50-procentschijf leeg, omdat zelfs de minima door de inflatie op den duur een ton verdienen en 60 procent zouden betalen. De vlaktaks is dan gerealiseerd, dank zij de combinatie van inflatie en tarievenpolitiek. Het eindresultaat van het streven naar een rechtvaardige jaarlijkse lastenverdeling is paradoxaal genoeg dat arm en rijk na verloop van jaren hetzelfde percentage over een extra verdiende gulden betalen. De herverdelende werking van de inkomstenbelasting is aldus tot nul gereduceerd.

Zo doet een "links' fiscaal beleid een droom van "rechts' uitkomen.