De filosofie loopt achter De Gids. 154e jaargang, ...

De filosofie loopt achter De Gids. 154e jaargang, nr. 7. Uitg. Meulenhoff. Prijs ƒ 14,90 Spinneweb als kunst De Revisor, Jrg. 1991, nr 4. Uitg. Querido. Prijs ƒ 15,50. Gewoon vandalen Hollands Maandblad. 1991 nr 6-7. Uitg. Veen. Prijs ƒ 9,25.

De filosofie loopt achter Hoe actueel zijn de Nederlandse literaire tijdschriften? Maken ze optimaal gebruik van hun relatief korte productietijd, voeren ze discussies en reageren ze op recente gebeurtenissen en publicaties? Of lijden ze onder het amateurisme van hun redacteuren, en nemen ze veel te veel kopij aan waardoor het jaren duurt voor een ingezonden stuk eindelijk in druk verschijnt?

Bij de Gids lijkt het of het laatste model overheerst. Het artikel "Mannelijk en vrouwelijk' van de Groningse filosofe E. M. Barth bijvoorbeeld, in het laatste nummer, is om twee redenen bijzonder intrigerend. Het trekt de aandacht door zijn inhoud, een originele bijdrage aan de discussie over mannelijke en vrouwelijke eigenschappen. Maar bijna even opmerkelijk is de oorsprong van het stuk. Volgens een voetnoot gaat het hier om een voordracht die Barth drie jaar geleden aan de TU van Eindhoven hield.

Wat is er in die tussentijd toch met dit zo interessante stuk gebeurd? Had de schrijfster drie jaar nodig om de literatuurverwijzingen op te zoeken? Heeft ze drie jaar netjes op haar beurt moeten wachten? Vond de Gids-redactie alle stukken die sinds de voordracht in het blad zijn verschenen actueler dan dit? Of moest er eerst worden gewacht tot A. de Swaan uit de redactie ging? Met ingang van het nu verschenen nummer, zo lezen we, heeft de Amsterdamse socioloog zijn jarenlange redacteurschap beëindigd. Heeft dat eindelijk de weg voor publicatie geëffend?

Hoe dan ook, de lezing van Barth is nu voor iedereen toegankelijk en het is te hopen dat velen er kennis van zullen nemen. De kern van haar betoog is dat bij de discussie over mannelijke en vrouwelijke eigenschappen ten onrechte gebruik gemaakt wordt van gemiddelden. Men heeft het veel te vaak over de gemiddelde man en vrouw. Zo'n gemiddelde man of vrouw, aldus Barth, bestaat niet. En "de man' en "de vrouw' bestaan dus ook niet. Barth pleit ervoor de aandacht te verleggen naar de uitzonderingen en naar de variatie die zowel onder mannen als onder vrouwen voorkomt. Andere wetenschappen zoals de biologie houden zich al geruime tijd bezig met de verschillen die binnen categorieën bestaan. De filosofie loopt dan ook eeuwen achter.

Uit de vesting van de wijsbegeerte ontvangen we, zo schrijft Barth, nog altijd simplistische feministische theorieën, die geworteld zijn in de restrictieve logica van de negentiende eeuw. Deze benadering legt uiteindelijk het analytisch onderzoek aan banden, en ze ontzegt vrouwen de toegang tot scholing en invloedrijke posities. De Vrouwenstudies die nu her en der aan de universiteit worden bedreven, bestempelt Barth, niet onaardig, als de "universitaire MMS'.

De Gids opent met een nieuwe aflevering van J.Goudsbloms kroniek over het vuur. De opzet van deze in 1984 begonnen kroniek is een geschiedenis van de beschaving te schetsen aan de hand van de beheersing van het vuur. Opvallend aan deze aflevering is dat Goudsblom zelf de beperkingen van zijn benadering lijkt in te zien. Zo wijst hij er op dat de betekenis van de donderbussen bij de verovering van Amerika eigenlijk zwaar overschat is. Het bezit van vuurwapens is in de gevechten wel vaak beslissend geweest, maar dit bezit berustte volgens Goudsblom op "een samenstel van politieke, economische en culturele voorwaarden'. Als er geen donderbussen waren geweest, zo mag je aannemen, hadden de Spanjaarden wel op een andere manier Amerika veroverd.

In de afdeling Beeldend Leven vraagt Huub Beurskens zich af of schilderijen ook het reukvermogen van de beschouwer kunnen prikkelen. Kun je bij een schilderij van Goya een lijkenlucht ruiken? Beurskens beseft in zijn lezenswaardige bijdrage dat het nooit de werkelijke geuren zullen zijn, die je ruikt, maar dat is geen bezwaar. Ook de beelden die door een schilderij worden opgeroepen, zijn immers slechts illusies.

De Gids. 154e jaargang, nr. 7. Uitg. Meulenhoff. Prijs ƒ 14,90

Spinneweb als kunst

Ook De Revisor lijkt voornamelijk te grossieren in belegen stukken. Zo schrijft vertaalster Marianne Vogel in een braaf artikel over Estse literatuur dat de Duitse uitgeverij Hanser in de herfst van 1990 de eerste Duitse vertaling wil gaan uitbrengen van Nobelprijskandidaat Jaan Kross. Herfst 1990? Zou de redactie daar geestelijk nog altijd in het voorjaar van het vorige jaar verkeren? En zou niemand weten dat er na de in september 1990 verschenen Duitse vertaling ook al een Engelse is gemaakt en dat Ronald Jonkers nu de laatste hand legt aan de Nederlandse versie van dit klassieke epos?

De schrijfster M. Februari is, evenals met Toon Tellegen, een van de weinigen die deze keer toch nog voor nieuw, oorspronkelijk proza zorgt. Van haar is een reeks korte notities opgenomen van helaas nogal wisselende kwaliteit, waarbij vooral een wrede vergelijking mij tot enig nadenken stemde: “Abel J. Herzberg zei dat niemand zijn leven meer heeft bepaald dan Hitler. Wat mij betreft geld dat voor Maria Montessori.” Op het eerste gezicht lijkt het of Februari Maria Montessori zowaar met Hilter vergelijkt. Maar bij nader inzien is dat toch te simpel geredeneerd. Het was immers eerst Abel Herzberg die Hitler als een soort ongewenste intimus voorstelde, waarna Februari de vergelijking nu nog weer een beetje absurder maakt door er de brave mevrouw Montessori naast te zetten.

Curieus in dit Revisor-nummer is "The Single Art Work Project'. Onder deze bedriegelijke titel brengt het blad af en toe verslag uit van een reeks kunstzinnige etentjes die jaren geleden in een Amsterdamse pand moeten hebben plaatsgevonden. Curieus aan de verslagen is vooral de pretentie waarmee ze wordten gepresenteerd. Tijdens de sessie die nu wordt beschreven, blijken acht heren en twee dames zich enkele uren lang met één en hetzelfde kunstwerk, het Single Art Work, te hebben bezig gehouden waarbij vragen opkwamen als "is een kunstwerk waar je met je rug naar toe zit nog wel aanwezig?' en "wat gebeurt er met een kunstwerk als het donker wordt?'. In een vlaag van opstandigheid, zo lezen we in de inleiding, verleende het gezelschap op een gegeven moment zelfs aan alles in de kamer de status van kunstwerk, “zelfs aan een spinneweb dat vlak naast de voordeur in een hoekje aan het plafond hing”. Gedichten in De Revisor zijn afkomstig van Hans Vlek, Lenze Brouwers, T. van Deel, Maria van Daalen, Margreet Schouwenaar en C. L. van Minnen. Van H. H. ter Balkt zijn een reeks fraaie Laaglandse hymnen.

De Revisor, Jrg. 1991, nr 4. Uitg. Querido. Prijs ƒ 15,50.

Gewoon vandalen

Hollands Maandblad maakt van de drie hier genoemde bladen nog de meest geëngageerde en de polemische indruk. In het laatste nummer wordt, voor zover ik weet, voor het eerst een verhaal gepubliceerd dat zich afspeelt in de gelederen van het Nederlandse Unifil-bataljon in Libanon (waar blijft de roman over de Golf-oorlog?). Het is een echt soldatenverhaal met veel actie en weinig reflectie. Een arts vertelt erin hoe hij onder een regen van kogels probeert een gewonde Libanees naar het ziekenhuis te rijden. Als de jongen onderweg aan een schotwond overlijdt, merkt hij dat hij beide partijen tegenover zich heeft. Het ene kamp is kwaad omdat hij de jongen heeft meegenomen voor wat later een dodenrit blijkt te zijn. Het andere is kwaad dat hij überhaupt geholpen werd.

Kester Freriks beschrijft aan de hand van discussies met een vriend welke houding een schrijver volgens hem dient in te nemen. Tegenover Hermans' adagium dat iedereen een roman kan schrijven als hij weet dat hij de volgende dag zal sterven, stelt hij de mening van Reve die vooral schrijft om niet gek te worden. Hij komt tot de conclusie dat beide elementen van belang kunnen zijn: “Een schrijver bewoont altijd twee kamers: in de ene klinkt de lach om het leven, in de andere de droefheid om de literatuur.”

J. P. Guépin publiceert, negen jaar nadat hij de wereld verraste met zijn studie De Beschaving, nu het begin van een nieuw groot werk dat, volgens de auteur althans, de vergelijking met zijn eerdere werk glansrijk zal doorstaan. Het boek zal Het Fatsoen gaan heten en te oordelen naar wat er nu bekend wordt zal het overlopen van de woede en de verontwaardiging over links. "Weg met Drion' luidt een van de tussenkopjes weinig subtiel. En over de socialisten heet het: “Socialisten zouden de grootste voorstanders van het burgerlijk fatsoen moeten zijn, maar ze worden gefascineerd door het onfatsoen van krakers, gewelddadige demonstraties, guerilla's, ja zelfs gewoon vandalen.”

Hollands Maandblad. 1991 nr 6-7. Uitg. Veen. Prijs ƒ 9,25.