BEB VUYK 1905 - 1991; Strijdbare Indische schrijfster

Eind vorig jaar nam de schrijfster Beb Vuyk in het Letterkundig Museum in Den Haag het eerste exemplaar in ontvangst van het Schrijversprentenboek In Indië geweest. Zij was toen de enige levende auteur van een generatie van Indische schrijvers, aan wie het prentenboek was gewijd: Maria Dermoût, H.J. Friedericy en Beb Vuyk zelf. Alle drie woonden ze in de laatste decennia van het koloniale bewind in Nederlands-Indië.

In haar woonplaats Loenen aan de Vecht is Beb Vuyk vorige week overleden. Ze werd zesentachtig jaar. Ongetwijfeld behoorde zij tot de meest strijdbare auteurs van het voormalige Indië. Een eenmaal ingenomen standpunt zou ze nooit verlaten. In dit opzicht is er in de Indische letteren geen groter contrast denkbaar dan tussen Beb Vuyk en Maria Dermoût. De eerste schreef vanuit een sterke politieke en sociaal-psychologische invalshoek; de tweede vanuit het filigrain der herinnering.

Beb Vuyk is geboren en getogen in Nederland, in een gezin uit de middenklasse waarvan de vader ingenieur was. Haar vader was een Indo-Europeaan, zoon van een Madoerese moeder en een Nederlandse vader. In 1929 vertrok ze naar Indië, waar ze trouwde met een jonge ondernemende planter, evenals zij een Indo-Europeaan. De positie van Indo-Europeanen zou een belangrijke thema worden in haar werk: “(-) een Javaanse grootmoeder en een getinte huid zijn de oorzaak van duizend minderwaardigheden," schreef ze in de novelle Vele namen uit 1939.

Uit haar autobiografische schets "De vervulling en de terugkeer' (uit de bundel De wilde groene geur, 1941) blijkt dat voor Beb Vuyk twee zaken nauw met elkaar waren verweven: naar Indië gaan en schrijfster worden. Eenmaal woonachtig op Java en op het Molukkeneiland Boeroe werd in haar de schrijfster geboren.

Onder de tropenhemel leidde ze een "opener en bewogener en vooral beweeglijker' bestaan, waarnaar ze verlangde. Haar stijl wortelt, zoals van tal van Nederlands-Indische auteurs, in de orale traditie. Voor haar lag de oorsprong van de literatuur in het vertelde verhaal, neigend naar het avontuurlijke genre. Haar grote voorbeelden waren Kipling en Joseph Conrad. In de inleiding op de Amerikaanse vertaling van haar beroemdste boek Het laatste huis van de wereld (1939) krijgt haar werk de eervolle vermelding "the literature of adventure' te zijn.

De oorlogsjaren brachten Beb Vuyk en haar twee zoontjes in een interneringskamp door; haar man was dwangarbeider aan de Birma-spoorweg. Na de oorlog vertrokken zij, in tegenstelling tot veel anderen, niet naar Nederland. Beb Vuyk werd journaliste en was op die manier getuige van de strijd om de onafhankelijkheid van Indië. Zij koos partij voor de Indonesiërs, overtuigd als ze was van het bestaansrecht van de republiek Indonesië. Later keerde ze zich tegen het regime van Soekarno. In 1958 moesten zij en haar man Indonesië verlaten om politieke redenen.

Haar werk is sterk autobiografisch. Zowel in haar vroege, prachtige romans als Duizend eilanden (1937) of Het laatste huis van de wereld als in het scherp-analytische reisverhaal Reis naar het vaderland in de verte (1983) schrijft ze over de strijd tussen superieuren en hun ondergeschikten. Als vrouw met een getinte huidskleur voelde ze zich noch in het koloniale Indië thuis, noch in het naoorlogse Nederland. In beide gevallen was ze een buitenstaander. In Indië heeft ze rassendiscriminatie leren kennen. Ze schreef erover: “Inlands bloed hebben in een koloniale samenleving was iets waar men niet over praten mocht, waar men vooral niet aan herinnerd wilde worden." Tijdens haar kinderjaren in Rotterdam werd ze op straat uitgescholden voor "zwarte moriaan'. Om aan de Hollandse benauwenis en burgerlijkheid te ontsnappen verlangde ze naar Indië, het land van haar grootmoeder, dat ze idealiseerde als een "vreemd en avontuurlijk en tegelijkertijd eigen als een ver en vertrouwd vaderland'.

Haar liefde gold avonturiers en pioniers, allen "wier leven een vloek is en een genade van ontberingen, nederlagen en mislukte ondernemingen'. De gelukkigste tijd van haar leven bracht Beb Vuyk op de Molukken door. Het is aan haar gedetailleerde schrijfstijl te danken dat we een nauwkeurig beeld hebben van de Indische samenleving in al haar facetten, zowel hoe een uitgelezen Indische maaltijd te bereiden als over de ingewikkelde hiërarchie van die samenleving.

Met haar dood is de generatie Nederlands-Indische auteurs die vertegenwoordigd is in het Schrijversprentenboek werkelijk verleden tijd geworden. Haar Verzameld Werk en later verschenen reisboeken geven het onvervangbare beeld van een avontuurlijk schrijfster met een krachtige stem, voortdurend levend met de bijna tastbare angst' een uitgestotene te worden. Nog geen maand geleden zei ze in deze krant over de dood: “Een doodgaan is misschien het laatste avontuur."