Vernederingen bij de Humboldt-Universiteit

Toen de Duitslanden zich herenigden was het meteen duidelijk dat de hereniging ook gevolgen zou hebben voor de Humboldt-Universiteit in het voormalige Oost-Berlijn.

Er ontstonden twee soorten problemen. Het ene probleem was van financieel-bestuurlijke aard. West-Berlijn bezat reeds een aantal instellingen voor wetenschappelijk onderwijs; het viel nauwelijks te verwachten dat de Senaat van het herenigde Berlijn, verantwoordelijk voor het onderwijs op het territoir van de stad, bereid zou zijn, de West- en Oostberlijnse instellingen ongewijzigd in stand te houden.

Het tweede probleem was politiek van karakter; het vergemakkelijkte de oplossing van het eerste probleem, althans in de ogen van de stadsbestuurders. De Humboldt-Universiteit is Berlijns oudste universiteit, een instelling met vanouds zeer veel prestige. Opgericht in 1810, was ze onder het communistische regime geworden tot een centrum van marxistisch-leninistische wetenschapsbeoefening, wat vooral in de maatschappijwetenschappen neerkwam op sjabloonmatige bewieroking en ondersteuning van de communistische machthebbers. De pluimstrijkerij berustte voor sommigen op overtuiging en kwam voor anderen voort uit opportunisme of lafheid. Maar er waren er ook, die haar gebruikten als dekmantel voor de ontwikkeling van activiteiten die, op humane of politieke gronden, ook thans nog respect afdwingen.

Dat er een probleem lag werd ook door de Humboldt-Universiteit zelf onderkend: na de ineenstorting van het communistische regime zette ze een reorganisatieproces in gang, dat er onder meer op was gericht, de wetenschappelijke basis van de instelling te verbreden. Naar het oordeel van de Berlijnse Senaat was dit niet genoeg. Een werkelijk draconische maatregel werd voorbereid: een voorstel tot wijziging van de Berlijnse hogeschoolwet, dat erop neerkwam dat een aantal instituten zou worden opgeheven en dat nagenoeg al het wetenschappelijke personeel van de Humboldt-Universiteit zou worden ontslagen, dat de aldus opengevallen plaatsen vacant zouden worden verklaard en dat de ontslagenen naar hun vroegere posten zouden kunnen solliciteren. Maar niet alleen zij: de sollicitatie was open voor iedereen, ook voor gegadigden uit het vroegere West-Duitsland. De Berlijnse senator voor wetenschap en onderzoek, dus een buiten de universiteit gelegen politiek-bestuurlijke functionaris, zou vervolgens over de vervulling van de vacatures beslissen.

Niet alleen op grond van welbegrepen eigenbelang is daartegen van de kant van de betrokkenen fel geprotesteerd. De maatregel druist ook in tegen het rechtsgevoel. Bovenal geldt ze als het zoveelste bewijs dat vele Westduitsers de voormalige DDR-burgers niet als volwaardig beschouwen. “Deze maatregel is zonder precedent”, schreef mij een collega, géén (ex-)communist. “In 1945 mochten bijna alle nationaal-socialistische universiteitsdocenten aanblijven, vandaag geldt voor ons vanuit de Bondsrepubliek: wee de overwonnenen.” Velen in West-Duitsland, zo voegde hij eraan toe, juichen de uitbreiding van de Bondsrepubliek met het grondgebied van de DDR toe, maar betreuren dat zij de vijftien miljoen inwoners, die ze als halve Russen beschouwen, niet naar Silezië kunnen deporteren.

Het Instituut voor Vredes- en Conflictonderzoek aan de Humboldt-Universiteit, dat in het verleden voorop heeft gelopen in het streven naar wetenschappelijke uitwisseling tussen Oost en West en dat nu met opheffing wordt bedreigd, verklaarde dat de maatregel nauwelijks met de beginselen van de rechtsstaat valt de verenigen en “slechts als collectieve politieke strafvervolging kan worden beschouwd, in een mate die zich zelfs in de meest donkere periode van de geschiedenis van onze universiteit niet heeft voorgedaan”.

Voor vele betrokkenen is de zuiveringsmaatregel onverdiend vernederend. Onlangs werd ik opgebeld door een collega aan de Humboldt-Universiteit, die in de jaren tachtig op het gebied van de maatschappijwetenschappen een zeer vooraanstaande positie innam, alom werd gerespecteerd, door zijn staf en zijn studenten op de handen werd gedragen, in privé-gesprekken herhaaldelijk zijn zorg had uitgesproken over de manier waarop het regime jonge menen van hun idealen beroofde en er zich actief voor had ingezet het onderwijs niet tot de door het regime voorgeschreven cliché's te beperken. Hij vertelde dat zijn werk recentelijk door drie Duitse hoogleraren was beoordeeld en dat hij zijn post waarschijnlijk wel zou kunnen behouden, maar hij zou toch graag ook het oordeel van een niet-Duitser aan dat van de Duitse beoordelaars willen toevoegen. Zou hij mij alsjeblieft een kopie van zijn wetenschappelijke publikaties mogen toesturen en zou ik zo vriendelijk willen zijn.....