Rick van der Ploeg, hoogleraar economie; De John Cleese onder professoren

“Ik zie mezelf in de eerste plaats als founding director, de man die het opricht, maar die als het zaakje eenmaal draait weer iets anders gaat zoeken.” Dat zei Rick van der Ploeg drie jaar geleden bij zijn afscheid als hoogleraar-directeur van het Netwerk Kwantitatieve Economie, een interuniversitair netwerk voor de begeleiding van aio's. Daarna werd hij benoemd in de directie van het net opgerichte Centre for Economic Research (CentER) van de Tilburgse universiteit. Ook dit maal heeft hij woord gehouden: per 1 september wordt hij hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam.

Zes jaar was Van der Ploeg (35) hoogleraar in Tilburg. In die periode is de economiefaculteit van onbeduidend zeer spraakmakend geworden. In de hitparade van meest publicerende economen wemelt het vandaag de dag van de Tilburgers. Van der Ploeg zelf staat als aanvoerder van de jonge Turken op twee. Hij publiceert niet alleen veel en internationaal, maar ook over veel verschillende onderwerpen. Zijn grootste faam bereikte hij in de internationale macro-economie, met modellen die de samenhang tussen grootheden als inflatie, wisselkoers en dergelijke beschrijven.

Hij is echter geen wereldvreemde modellenbouwer. Als een van de eersten in Nederland poogde hij de kloof tussen moderne macro-economische theorieën en actuele politieke debatten te overbruggen. Hij roert zich in discussies binnen de Partij van de Arbeid en schrijft regelmatig voor een breed publiek in de Volkskrant, Carrière en De Krant op Zondag.

Zoals veel topeconomen heeft Van der Ploeg geen economie gestudeerd. Hij koos het zelfs niet als examenvak op de christelijke Melanchtonscholengemeenschap in Rotterdam. Toch had economie toen al wel zijn belangstelling. In zijn vrije tijd volgde hij allerlei boekhoudcursussen. Hij moet een van de jongste SPD-gediplomeerden van Nederland zijn geweest. Voor hij van school kwam had hij ook al een deel van de NIVRA-opleiding tot accountant gevolgd en was hij regelmatig aangeschoven bij propedeusecolleges van de Erasmus Universiteit. Te leren hoefde hij eigenlijk zelden. “Hij las wat om de stof heen”, herinnert klasgenoot en vriend Nico Wulffraat zich. Van der Ploeg was actief in het schoolcabaret en stond daar bekend als bedenker van de meest schokkende teksten. Die provocatiedrang is hij nooit kwijtgeraakt.

Na zijn atheneumexamen toog Van der Ploeg naar Engeland, het geboorteland van zijn moeder, en ging studeren aan de universiteit van Sussex in Brighton: toegepaste natuurwetenschap, omdat dat een van de weinige vakken was waarvoor je je in september nog kon aanmelden. Het onderwijs was kleinschalig en van meet af aan gericht op onderzoek. In drie jaar voltooide hij zijn studie. In Cambridge begon hij aan een proefschrift over meet- en regeltechniek.

Daar is het niet van gekomen. Hij kwam er in contact met enkele economen. De wiskundige technieken van de meet- en regeltechniek zijn ook in de economie toepasbaar en wekten hun belangstelling. Twee van hen, Nobelprijswinnaars James Meade en Richard Stone, bezorgden hem een aanstelling als docent economie. Al doende raakte hij thuis in dat vak, waarin hij uiteindelijk ook promoveerde.

De London School of Economics (LSE) werd zijn volgende werkgever. David Webb zat daar jaren in een kamer op dezelfde gang. Volgens hem heeft de sfeer aan de LSE zeker tot Van der Ploegs grote produktiviteit bijgedragen: “Iedereen zit hier dicht op elkaar. Je moet keihard werken. Er is veel peergroup pressure om te presteren.” Het competitieve klimaat van LSE mist hij wel, meent Wulffraat: “Er zijn hier te weinig mensen die hem voor zijn.”

Charlie Bean, eveneens verbonden aan de LSE, beaamt dat Van der Ploeg uitzonderlijk produktief is. “Maar wat hij mist, zijn artikelen in de echte top-tijdschriften. Op wereldniveau heeft hij nog geen spraakmakende artikelen geschreven. Ik denk dat hij dat wel zou kunnen als hij wil, maar dan zou hij zich misschien op een kleiner gebied moeten specialiseren.” De communis opinio onder vakgenoten is dat Van der Ploeg nu tot de mondiale sub-top behoort.

De Tilburgse hoogleraar Aart de Zeeuw heeft Van der Ploeg terug naar Nederland gehaald. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op een conferentie in 1981, waar Van der Ploeg een voordracht van De Zeeuw bijwoonde. “Na afloop kwam hij naar me toe. Hij was heel geïnteresseerd en wilde verder praten.” Nog twee keer liepen ze elkaar op conferenties tegen het lijf en bij de derde keer vroeg De Zeeuw of hij niet een tijdje naar Tilburg wilde komen. Hij droeg hem voor voor de Cobbenhagen-leerstoel, een over de faculteiten roulerende post die dat jaar bestemd was voor een econoom. In Tilburg rees nogal wat verzet tegen De Zeeuws voordracht. De leerstoel was immers bedoeld voor een gevestigde hoogleraar uit het buitenland, niet voor iemand van nog geen dertig. Bij wijze van compromis werd hij voor vijftig procent aangesteld. Daarnaast bleef hij in Londen werken.

Toen de Cobbenhagen-periode afliep kreeg hij een andere deeltijdfunctie in Tilburg: directeur van het Netwerk Kwantitatieve Economie, een interuniversitair netwerk voor de begeleiding van aio's. Na twee jaar hakte Van der Ploeg de knoop door en ging full time in Tilburg werken. Dat viel samen met de oprichting van het CentER, een onderzoeksschool avant la lettre, waarvan hij een van de directeuren werd.

Toen hij nog in Tilburg woonde kwam hij al vaak in Amsterdam. Hij noemde Tilburg in een vraaggesprek met een plaatselijk dagblad een “cultureel getto”. Wulffraat: “Hij zei wel eens: ik denk dat ik hier maar een hoogleraarspost zoek. Ik ben hier toch zo vaak.” Hugo Keuzenkamp, die veel met hem publiceerde: “Hij houdt van uitgaan. Ook op dat gebied is hij een veelvraat. Toen hij in Amsterdam kwam wonen nam hij meteen twee of drie abonnementen.”

Zijn culturele belangstelling vindt een publieke weerslag in Nexus, een algemeen cultureel tijdschrift dat dit najaar voor het eerst zal verschijnen. Van der Ploeg zit in de redactieraad, samen met mensen als Johan Polak, Jaap Goedegebuure en Hugo Verdaasdonk. De laatste, hoogleraar aan de Tilburgse letterenfaculteit, roemt de brede interesse van de econoom. Het grote aantal mensen dat Van der Ploeg kent bleek ook voor het tijdschrift van nut. Verdaasdonk: “Hij heeft ons bijvoorbeeld aan een groot aantal Engelse auteurs geholpen.”

Verdaasdonk is een van de vele medewerkers van de Tilburgse universiteit die in de hoofdstad woont. Zodoende treft hij Van der Ploeg ook regelmatig in de trein: een mooie gelegenheid om bij te praten over het tijdschrift, of over op hande zijnde benoemingen. Maar er wordt niet altijd gepraat: “Vaak is hij met een vervaarlijk professioneel uitziend rekenmachien in de weer. Zo iemand stoor je niet. Hij leest ook veel in de trein. Hij gebruikt zijn tijd heel goed.”

Zo snel een efficiënt als hij leest, rekent en schrijft, zo chaotisch zien de voortbrengselen daarvan eruit. Van der Ploeg heeft de gewoonte op reeds bedrukt en beschreven vellen en velletjes papier te schrijven en dat in een nauwelijks te ontcijferen handschrift. “Ik ben altijd weer verbaasd hoe hij in die chaos zijn weg kan vinden”, zegt Roel Beetsma, een van zijn promovendi.

Behalve als econoom geniet Van der Ploeg een grote reputatie als paljas. “Hij is iemand die zomaar op je bureau springt en een handstand tegen de muur maakte toen ik nieuwe collega's kwam voorstellen”, vertelt zijn secretaresse Josette Janssen. “Zelfs aan de London School of Economics was hij een markante figuur”, zegt Jan Magnus, die naast zijn aanstelling als hoogleraar econometrie in Tilburg nog steeds aan dit instituut is verbonden. “Dat wil wat zeggen, want daar lopen een aantal gekken rond. Ik ga bijvoorbeeld nooit meer naast hem zitten bij een promotie. Hij schuift je voortdurend kleine briefjes toe met flauwe moppen.” “Rick van der Ploeg is een doorlopende anekdote”, zegt Raymond Gradus, die bij zijn promotie een paar onderbroeken van hem cadeau kreeg, vergezeld van een geïmproviseerde, maar imposante toespraak. Niet alleen in grappen, maar ook in zijn wat harkerige motoriek vertoont hij gelijkenis met Monty-Pythonster John Cleese.

Van der Ploeg was nog maar kort in Nederland toen hij werd benaderd om eens mee te discussiëren in het economenclubje van de PvdA, een gezelschap dat enkele keren per jaar op uitnodiging van de fractievoorzitter bijeenkomt om wat intellectueel te stoeien met economisch angehauchte fractieleden en bewindslieden. Toen hij begon deel te nemen aan deze bijeenkomsten was hij niet eens partijlid. Het was Jan Pronk die hem aanmeldde: “Toen ik met hem kennismaakte kende ik al wat artikelen van hem. Ik vond dat daarin een teneur te vinden was die overeenkwam met wat de PvdA uitdraagt. Dus ik vroeg of hij al lid was. Nee, zei hij. Wat let je eigenlijk, vroeg ik. Bij deze, zei hij toen.”

Pronk noemt de bijdrage van de Benjamin in het economenclubje “verfrissend”. Ook Thijs Wöltgens gebruikt dat soort termen: “Een creatieve man, met een non-conformistische kijk op zaken.” De discussies in het economenclubje hebben een belangrijke rol gespeeld in de liberale wending van de Partij van de Arbeid. In de krantenstukjes van Van der Ploeg is dat liberale accent prominent aanwezig. Hij pleit veelal voor een soort sociaal-democratie zonder paternalisme. De burgers moeten in de eerste plaats zelf hun verantwoordelijkheid kunnen nemen, vindt hij. Alleen als het marktmechanisme evident tekortschiet, en sommigen buiten hun schuld de dupe worden of nodeloze verspilling ontstaat, dan moet de overheid ingrijpen.

Hij pleit bijvoorbeeld voor een verruiming van het begrip passende arbeid in verschillende uitkeringswetten, afschaffing van objectsubsidies in de woningbouw, vrijheid voor scholen om schaarse of goede leraren meer te betalen, maar ook voor afschaffing van de dienstplicht (economisch inefficiënt en onrechtvaardig) en invoering van milieuheffingen gepaard aan belastingverlaging. Afgelopen zaterdag verdedigde hij in een interview met Trouw de voorgestelde ingrepen in de WAO. Wel uitte hij kritiek op de presentatie van de plannen. Volgens hem had meer nadruk moeten worden gelegd op de mogelijkheid zich particulier bij te verzekeren. Overigens stelde hij ook dat het kabinet de "echte WAO'ers' buiten schot zou moeten laten.

Dankzij Hugo Keuzenkamp kwam hij op de kieslijst voor de Eerste Kamer. “Enerzijds een beetje plagerij, maar hij vond het ook wel leuk.” Hij kwam uiteindelijk als tweede reserve op de lijst van Amsterdam. “In de Eerste Kamer zouden we graag dit soort mensen hebben”, zegt Wöltgens. Het is voor de mensen die hem kennen zonneklaar dat Van der Ploeg behalve wetenschappelijke ook politieke ambities heeft. Over de aard daarvan verschillen ze van mening. Zelf zegt hij wellicht ooit iets uitvoerends met een politiek karakter te willen doen, bijvoorbeeld bij de OESO,de Wereldbank, het IMF of iets dergelijks. Zijn oude vriend Nico Wulffraat: “Ik denk dat hij uiteindelijk gewoon minister wil worden.”