Partij en ideologie niet te hervormen

Drie dagen geschiedenis: televisiebeelden tonen standbeelden van Lenin, van Dzerzjinski, van Sverdlov en van Marx die van hun sokkels worden getild, partijbureaus die worden verzegeld, partijleiders die aftreden, vlaggen met het symbool van hamer en sikkel die worden verbrand, kaderleden van de partij die spitsroeden lopen als ze hun eigen kantoor willen verlaten - en dat alles niet in verre buitengewesten, maar in het hart van het Sovjet-rijk, in Moskou, waar de partijstaat werd gesticht, en in Leningrad, waar de revolutie begon. Een collaps: minder dan een week nadat acht oude kameraden de macht grepen in de hoop te kunnen terugkeren naar de methoden van vroeger storten de communistische partij en de communistische ideologie als een kaartenhuis ineen.

De ideologie is dood. De ideologie, die een onuitwisbaar stempel heeft gedrukt op de twintigste eeuw, heeft nog net voor het eind van die eeuw afgedaan. En de partij is dood. De partij die die ideologie uitdroeg, die haar zeventig jaar heeft bewaakt en vertaald in heilige dogma's en holle leuzen en die haar in de praktijk bracht - de praktijk van de heldensteden en Magnitogorsk, maar ook de praktijk van de Goelag en de terreur - is weer bijna bij af. Geschorst door Jeltsin en verlaten door Gorbatsjov keert ze terug naar waar ze vandaan komt: naar samenzweerdersclubjes van dromers, net als honderd jaar geleden. Maar met minder toekomst, want met een verleden.

De partij en de ideologie waarvan nu de symbolen worden ontmanteld zijn voor alles gestorven omdat ze niet te hervormen zijn geweest. Ze zijn ten onder gegaan, niet aan laffe contra-revoluties, niet aan Hitler, niet aan het imperialisme, maar aan zichzelf, aan de erosie van hun immobiliteit.

De ideologie was aanvankelijk geen statisch geheel van wetmatigheden. Lenin vulde het marxisme dat hij meebracht toen hij in 1917 in triomf per trein naar Petrograd reisde, aan met zijn eigen revolutionaire gedachtengoed. Stalin schaafde dat marxisme-leninisme bij, zuiverde het, vulde het aan, manipuleerde het, en transformeerde het - vooral na 1929, toen hij een eind maakte aan de door Lenin geïntroduceerde Nieuwe Economische Politiek - van een revolutionaire tot een statische en daarom conservatieve leer, net zoals hij de revolutionaire partij veranderde in een status-quo-partij, een partij wier belangrijkste taken lagen in het controleren van de nieuwe samenleving en het implementeren van zijn collectivisatie en zijn industrialisatie, tot elke prijs, ook tot die van de vernietiging van miljoenen.

Stalin schiep de nieuwe Sovjet-Unie. Het werd de Sovjet-Unie van de natsjalstvo, de bazen, de bonzen. Stalin veranderde met zijn collectivisatie en industrialisatie de samenleving en gaf haar in beheer een nieuwe klasse, de politiek-administratieve bureaucratie, die vooral na de jaren dertig uitdijde tot een leger van honderdduizenden en uiteindelijk miljoenen bonzen. Zij stuurden en controleerden uiteindelijk elk detail in het land, elke economische, politieke en sociale activiteit, hoe nietig ook, elk gedrukt woord, het onderwijs, de cultuur, de politie en de strijdkrachten, de massa-organisaties, de pioniers, de studentenbond, de vrouwenbond, de sport, overal.

Dat leger, de nomenklatoera, werd een luguber netwerk dat zich uitstrekte van de hoogste leiding in het politburo tot de kleinste partijsecretaris in de verste dorpen, een kaste van miljoenen erfgenamen en plaatsvervangers van Stalin, onaantastbaar op hun eigen niveau, in principe benoemd voor het leven, kwetsbaar uitsluitend bij ongehoorzaamheid en verder vooral geïnteresseerd in de handhaving van de aan hun positie verbonden privileges, de speciale ziekenhuizen, winkels, vakantiebestemmingen, buitenlandse reizen, geïmporteerde consumptiegoederen.

De leer, de ideologie, sneuvelde. Naarmate de structuren van de macht en de structuren van de samenleving dichtslibden, verkalkten, onwrikbaar en statisch werden, werd de ideologie allengs gereduceerd tot een fraaie dekmantel, een graadmeter, een leverancier van dogma's en mooie leuzen en rechtvaardigingen, een uitlegkader dat de partij, en haar alleen, ter beschikking stond: haar bijbel, haar instrument, het handboek ter camouflering van haar dictatuur. Een handboek vol heilige huisjes die stuk voor stuk façades waren voor iets anders, een eufemismewinkel: de “dictatuur van het proletariaat” was in werkelijkheid de dictatuur van de partij-elite en het leger van apparatsjiks met privileges, “de klassenstrijd” was in werkelijkheid de meedogenloze vervolging en zelfs uitroeiing van de middenklasse, de bezitters, “broederlijke hulp” was de rechtvaardiging om zelfs buiten de eigen grenzen met geweld het socialistische systeem te verdedigen.

Er zijn er geweest die hebben getracht die ideologie te hervormen, aan te passen aan veranderende omstandigheden, haar tot leven te wekken. Sergej Kirov probeerde het - en bekocht die poging in 1934 met de dood. Nikolaj Voznesenski probeerde het - met, in 1949, hetzelfde resultaat. Nikita Chroesjtsjov deed een derde poging, en bekocht die in 1964 met zijn val. De Tsjechoslowaken probeerden het in 1968, en werden afgestraft met een invasie en een normalisatie die twintig jaar zou duren.

De status quo bleef, de ideologie bleef onveranderd en heilig, de structuren bleven heilig: het centralisme in de economie en de politiek, het partijmonopolie en de partijcontrole, de indoctrinatie in onderwijs en media, het eeuwige vijandbeeld van de belegerde veste van het socialisme, de valse nadruk op de eigen verworvenheden, en de leugens, over de partij die altijd gelijk had, de economie die groeide, het imperialisme dat ten onder zou gaan en de heilstaat van het communisme die onveranderlijk in aantocht was.

Tot Michail Gorbatsjov aantrad. En Gorbatsjov was de vertegenwoordiger van een ander soort elite: hij vertegenwoordigde - als eerste - de generatie die de burgeroorlog, de strijd om de consolidatie van de Sovjet-macht en de grote zuiveringen niet had meegemaakt, die studeerde en aan een carrière begon in de hoopvolle jaren vijftig en die vervolgens in de klim naar boven stuitte op een plafond van managers die ten tijde van Stalin hadden geprofiteerd van de grote zuiveringen en die in de jaren vijftig, zestig en zeventig niet uit hun stoel weg te branden waren, een plafond dat als een zwaar deksel op de samenleving lag.

In de jaren dertig en veertig heeft Stalin miljoenen bestuurskaders vernietigd, intellectuelen, leden van de technische elite, partij- en bestuursambtenaren. Hun plaatsen werden ingenomen door nieuwe, vaak zeer jonge managers en bestuurders: wie in de jaren dertig en veertig - vaak zeer snel - promotie maakte, deed dat omdat zijn voorganger was opgepakt. Twintigjarigen werden afdelingsleider, dertigjarigen werden directeur. En zij bleven directeur, tot in de jaren zestig en zeventig, daarmee de normale doorstroming blokkerend.

In diezelfde jaren vijftig, zestig en zeventig heeft de Sovjet-Unie een economische en sociale transformatie doorgemaakt. In die jaren werd in de Sovjet-Unie elke dag één nieuwe stad gesticht, en veel van die steden hebben inmiddels een miljoen of meer inwoners. Met de steden kwamen de bewoners, en met de bewoners het nieuwe technisch-administratieve personeel, de jonge bestuurders, technocraten, economen, ingenieurs: een gigantisch reservoir van nieuw kader.

En dat kader kwam niet aan de bak. Het mocht werken, maar niet meepraten, meebeslissen, meeregeren. Al die tijd bleef de macht in handen van de ouder wordende generatie die onder Stalin, en dankzij diens zuiveringen, omhoog was gestuwd: zij bleef zitten, en zij bleef bovendien de lakens uitdelen. Het nieuwe kader - vaak veel beter opgeleid dan de oude chefs - is twintig, dertig jaar monddood gebleven, het heeft al die jaren de bevelen van boven moeten uitvoeren zonder er zelf deel aan te nemen en het heeft al die jaren ideologische rechtvaardigingen voorgeschoteld gekregen voor ontwikkelingen waarvan het wist en zag dat ze niet deugden.

Het is een klasse van verlichte technocraten: realistisch, cynisch vaak, zonder illusies, en zonder boodschap aan ideologie. Het zijn de managers die zich Stalin niet of maar vaag kunnen herinneren, de generatie van het Twintigste Partijcongres, die heeft gestudeerd in de tijd van de hoop en de dooi, de jaren vijftig, en sindsdien is gedwongen haar mond te houden. Michail Gorbatsjov was van die klasse de eerste vertegenwoordiger die doorstootte naar de macht. Hij is geen leerling van Stalin meer. Hij is een leerling van Stalins ongehoorzame leerling Chroesjtsjov, en een van de belangrijkste lessen van het tijdperk-Chroesjtsjov was de teloorgang van de illusies van de ideologie, het besef van de beperkingen van de ideologie in haar relatie met de werkelijkheid.

Het aantreden van Gorbatsjov werd het begin van het eind van het oude systeem, inclusief de partij en haar plaats in de samenleving en inclusief de ideologie. De afgelopen zes jaar heeft Gorbatsjov in zijn hervormingspogingen stelselmatig - vaak waarschijnlijk eerder onbewust dan bewust - de rol van de partij en de ideologie ondergraven.

Uiteindelijk heeft ook Gorbatsjov zich verkeken. Voor hem, een vroege zestiger, hebben de partij en de ideologie nog altijd zekere verdiensten. Gorbatsjov heeft de oorlog meegemaakt. Hij heeft de moeizame opbouw van het land na de oorlog meegemaakt. Hij is in de partij groot geworden. Hij is in die zin een "tussengeneratie', jonger dan de Brezjnevs en de Tsjernenko's die in de jaren dertig opklommen, maar ouder dan de generatie die zich vorige week rondom Jeltsin schaarde en met een volstrekt gebrek aan eerbied de symbolen ontmantelde van een ideologie waar ze geen boodschap aan had: de veertigers, de dertigers, de studenten en scholieren, al diegenen die de partij zien als een instrument van beknotting en dictatuur, en de ideologie van die partij als een versleten dekmantel om een bijbel vol vervalste zekerheden.

Gorbatsjovs glasnost bracht de waarheid terug in de Sovjet-samenleving, en een hele generatie die Stalin nooit heeft meegemaakt is zich ervan bewust geworden dat in naam van die valse zekerheden van de ideologie miljoenen zijn vermoord en zijzelf, die generatie, is onderdrukt.

Augustus 1991 is 1989 revisited. De cirkel is rond. In 1985 gooide Gorbatsjov de remmen los en in de loop van de volgende drie jaar werd het de kleine Oosteuropese landen duidelijk dat hun pogingen om de samenleving te hervormen niet meer zouden worden gestuit door Sovjet-tanks. Ze namen de draad op, eerder dat de Sovjet-burgers, om meer dan één reden: omdat 45 jaar indoctrinatie iets anders is dan 70 jaar indoctrinatie, omdat de stalinistische vervolging van de jaren vijftig in Oost-Europa, hoe bloedig ook, minder bloedig was dan de twintig jaar durende terreur van Stalin, en omdat de Oosteuropeanen, vooral de Oostduitsers, de Polen, de Tsjechoslowaken en de Hongaren, nu eenmaal veel nauwer in contact stonden met het Westen dan de Russen.

De erosie van het systeem - het met geweld opgelegde systeem - was in Oost-Europa eerder begonnen en sneller gegaan dan in de Sovjet-Unie. De cirkel is rond. Een geografische: de ontwikkeling die in Moskou door Gorbatsjov werd ontketend bevrijdde eerst - "Wij zijn het volk!' - de noordelijke helft van Oost-Europa, vervolgens de zuidelijke helft, de Balkan, en spoelde vorige week naar Moskou terug: "Wij zijn het volk' klonk ook vorige week in Moskou.

De partij, de ideologie - hun rol zoals we die hebben gekend is voorbij. Er zijn nog miljoenen communisten in de Sovjet-Unie, miljoenen die geloven en zullen blijven geloven in de bijbel van vervalste wetmatigheden. Ze weten het nog niet, maar ze hebben al verloren en hun bepalende, controlerende en sturende rol is voorbij.

En Gorbatsjov? Gorbatsjovs historische rol is uitgespeeld. Misschien niet zijn politieke rol: hij mag nog president zijn. Maar zijn historische taak is volbracht. Hij brak de ban, hij zag de beperkingen in van de ideologie en de partijstaat, hij introduceerde het gezonde verstand in een samenleving vol heilige huisjes en taboes. Hij bracht de revolutie op gang, een revolutie die even ingrijpend en fundamenteel is als die van zijn alter ego, Lenin. Het maakt Gorbatsjov tot een van de grote staatslieden van deze eeuw. Maar Gorbatsjov is passé: de leerling van de leerling van Stalin wordt ingehaald, overrompeld en weggespoeld door de volgende generatie, de kinderen van Jeltsin, de kinderen met nog meer afstand tot Stalin, de kinderen met nog minder illusies. Zij lijken het roer definitief over te nemen.

De doodgraver van het communisme is niet Boris Jeltsin maar Michail Gorbatsjov. En zijn vertrek is niet ontbloot van persoonlijke tragiek. Maar zijn vertrek is geen ramp. En het volk mag een ondankbare meester zijn. Maar de geschiedenis is het niet.