Monoloog "Pavese' verdampt tussen de pruttelende pannen

Voorstelling: Leven, een vak. Gebaseerd op teksten van Cesare Pavese. Spel: Diane Lensink; vormgeving: Jan Klatter. Gezien: 23-8 Schram Studio's Amsterdam. Nog te zien aldaar t-m 8-9.

Leven, een vak heet de semi-solovoorstelling van Diane Lensink, de titel is een variatie op Leven als ambacht, de titel van het dagboek van de Italiaanse schrijver Cesare Pavese. Zoals het dagboek getuigt van Paveses wanhopige poging zijn leven meester te worden door de gebeurtenissen uit zijn jeugd te verwerken en vorm te geven, zo geeft Lensinks toneelproduktie op soortgelijke wijze aan, dat het bestaan voor Pavese een vak was, een door hemzelf opgelegde taak waaronder hij gebukt ging.

De tekst waarvan Lensink gebruik maakt, is gebaseerd op het werk van Pavese, met name op "Geheim verhaal'. Dit laatste verhaal in de bundel Stilte in augustus is zelfs vrij letterlijk gevolgd. Het beschrijft de herinneringen van de ik-figuur aan zijn jeugd in een dorpje te midden van heuvels, wijngaarden en bossen. Met een enigszins melancholieke glimlach, alsof de voorbije tijd als een film aan haar geestesoog voorbij trekt, vertelt Diane Lensink het verhaal aan een gast (Sam Bogaerts) voor wie ze onderwijl een verrukkelijk geurende maaltijd bereidt.

In een interview in deze krant zei Diane Lensink dat ze het verhaal “op hetzelfde niveau” wilde brengen als het koken. Op de beste momenten lukt haar dat: dan straalt de manier waarop ze zich tussen de pruttelende pannen beweegt zo'n vanzelfsprekende rust uit, dat ze zonder zich te forceren kan wegdwalen met haar gedachten. De gast - die de oude Pavese symboliseert - zit aan tafel en luistert stil en aandachtig naar haar monoloog. In de keuken is ook nog een jongetje - de jonge Pavese - dat aan tafel schuift als het eten klaar is.

Leven, een vak wordt gekenmerkt door een gemoedelijke Zuideuropese sfeer. Dank zij vormgever Jan Klatter is de kale betonnen loods in Amsterdam-Noord, waar het publiek eerder op de avond met een boot naartoe is gebracht, veranderd in een ouderwetse, onmiskenbaar Italiaanse keuken. Ordelijke, esthetische rommel domineert het beeld: her en der verspreid staan flessen, manden, allerlei soorten aardewerk en schalen met fruit en groente. Aan het plafond hangen grote bossen gedroogde kruiden, hammen en salamiworsten, pannen en pollepels. Op het met hout gestookte gietijzeren fornuis wordt brood geroosterd en vlees gebraden.

Het realiteitsgehalte van het decor en de handelingen maakt deze produktie uitzonderlijk en buitengewoon aantrekkelijk om naar te kijken, maar paradoxaal genoeg keert dit zich ook tegen de voorstelling. Als Lensink bij voorbeeld met een groot hakmes een stuk kip bewerkt is dit zo afleidend dat ik vergeet te luisteren naar wat ze zegt. Op zo'n moment blijkt de realiteit dwingender dan de kunstmatige elementen - de monoloog, de context - temeer daar het verhaal geen dramatische opbouw heeft.

Wat zich hier bovendien wreekt, is de al te passieve rol van de gast. Sam Bogaerts' aandeel bestaat voornamelijk uit luisteren; het zou de levendigheid van de voorstelling ten goede komen als hij nu en dan had kunnen reageren. Pas aan het slot, nadat hij de maaltijd met smaak heeft verorberd, neemt hij de kans iets te zeggen. Hij slaat het dagboek van Cesare Pavese open en leest er enkele korte passages uit voor, maar ook nu stelt hij zich terughoudend op. Diane Lensink, die iedere avond een andere man ontvangt, weet van te voren niet wat haar gast uit het dagboek zal voorlezen, diens inbreng zal dan ook van avond tot avond verschillen.