In Moskou begint Grote Ontmaskering

MOSKOU, 26 AUG. “Was jij op de barricades of in het Witte Huis?”. Dat is deze dagen in Moskou de vraag die de bokken van de schapen scheidt. Nu de mensen van de eerste schrik zijn bekomen en de daaropvolgende opluchting ook is verdwenen, is de tijd aangebroken voor de Grote Ontmaskering. Wie was goed en wie was fout toen het erop aankwam? Ofwel, wie hoort bij het apparaat en wie bij het volk?

Enorm zijn de gevolgen van deze staatsgreep, die achteraf een godsgeschenk is gebleken voor de democraten. “In deze drie dagen is meer bereikt dan in zes jaar moeizaam vechten”, zei een vriend. Als een coup één ding duidelijk heeft gemaakt dan is het dat de architect van de perestrojka zichzelf heeft gewurgd door zich uitsluitend met foute mensen te omringen. Allemaal hebben ze hem verraden. Hij staat moederziel alleen, een totaal ontredderde man die nu definitief alle macht heeft verloren.

De komende dagen, als de contouren van de raadselachtige coup zich steeds verder zullen aftekenen, zal de kring medeplichtigen steeds groter blijken te zijn en het aantal passieve tegenstanders steeds kleiner. Maar het allergrootste is natuurlijk het grijze mijnenveld tussen de barricaden en de tanks. Daar zijn de meeste mensen op terechtgekomen en die doen nu de grootste moeite ongezien in de richting van de barricaden te kruipen.

Is een nieuwslezer, die met duidelijke ironie in zijn stem, de decreten van het "staatscomité voor de noodtoestand' voorleest, goed of fout? Zo'n vage scheiding heeft altijd iets volstrekt willekeurigs. Wie bepaalt waar de grens ligt? In de Sovjet-Unie, waar zaken zeventig jaar zijn goedgepraat en het nooit slim is geweest het achterste van je tong te laten zien, kan zo'n ontmaskering wel eens verfrissend werken. De grootste meelopers of "konjoenktoertsjiki', zoals ze hier worden genoemd, zaten immers op zacht fluwelen stoelen. Tegelijkertijd heeft zo'n demasqué iets ontzettend onsmakelijks. Een heksenjacht is gauw gestart en de kans dat veel betrekkelijk onschuldige mensen op bedrijven of instituten er het slachtoffer van zullen worden is groot.

Als we er even van uitgaan dat de coup knullig georganiseerd was - Jeltsin bestrijdt dat inmiddels - toont dat iets heel hoopvols aan: het oude apparaat is het contact met de werkelijkheid, zo het dat ooit gehad heeft, totaal kwijt. Want het verzet kwam niet alleen, zoals de samenzweerders konden verwachten, van de democratische politici en journalisten, maar er was ook verzet binnen het leger en KGB. De medewerkers van de KGB hebben heel lauw gereageerd op de coup. Zo schijnt er een lijst geweest te zijn van 2300 mensen die meteen moesten worden opgepakt. Waarom is dat niet gebeurd? Waarom werd niemands telefoon afgesloten en konden mensen in alle rust belangrijke documenten in veiligheid brengen?

Pag. 6:

Iedereen moet gedrag toelichten

Zelfs in de legertop was er verzet. De nieuwe minister van defensie luitenant-generaal Jevgeni Sjaposjnikov heeft verteld dat hij op 20 augustus, toen de spanning steeg, met generaal Gratsjov, chef van de luchtlandingstroepen, heeft afgesproken geen bevelen op te zullen volgen die dramatische gevolgen zouden kunnen hebben. Zij bespraken ook de mogelijkheid om de leden van de junta te arresteren en lichtten het Russische parlement over hun standpunt in. De volgende dag eisten zij op de vergadering van het college van het ministerie van defensie dat de "boeven uit Moskou' zouden worden teruggefloten.

Ook op de pers heeft de coup in ieder geval verhelderend gewerkt: zij die niet deugen zijn door de mand gevallen. Zo schijnt de Leningradse sensatie-journalist Aleksander Nennojov, die alleen maar tegen de coup was omdat hij zo onprofessioneel is uitgevoerd, al in Zweden te vertoeven. Kranten en televisie zijn nu vrijer dan ooit. Ze voelen politici en democraten duchtig aan de tand over hun gedrag van de afgelopen week. Velen verklaren de verwarring van de eerste dag uit het ontbreken van informatie en de curieuze omstandigheid dat de staatsgreep werd gepleegd door de zittende machthebbers zelf, aan wie zij tot dan toe blindelings hadden gehoorzaamd.

De trage reactie van minister van buitenlandse zaken Aleksander Bessmertnych heeft hem zijn baan al gekost. Zijn eerste plaatsvervanger Joeli Kvitsinski vertelde in het weekblad Moskovskije Novosti dat de minister op de eerste dag van de staatsgreep zijn staf bijeenriep en een serie documenten van de nieuwe machtshebbers voorlegde die aan de ambassades moesten worden gestuurd. De volgende dag, aldus Kvitsinski, begonnen de twijfels op te komen en koos men voor de tactiek geen contact meer te leggen met het "staatscomité voor de noodtoestand'. Bessmertnych gaf zijn medewerkers de opdracht geen bevelen van het comité meer uit te voeren.

Op de vraag of het gedrag van het ministerie niet als collaboratie met de vijand moet worden aangemerkt, antwoordde Kvitsinski: “Ik herhaal dat op het moment dat die documenten werden uitgeschreven, de meesten van ons niet duidelijk was dat zij de macht hadden begrepen. Duidelijk was dat we te maken hadden met de vice-president, de premier, de chef van de KGB, de minister van defensie, kortom met het hart van de macht. Zij zeggen dat het waar is, gaat u dan zeggen dat het niet waar is?”

Velen zullen zich vandaag voor het hoofd slaan dat ze niet eerder hebben gekozen, dat ze niet eerder duidelijk hebben gemaakt waar ze staan. Dat ambtenaren instructies van boven doorgaans plegen op te volgen, is bekend. Maar ook heel wat intellectuelen vielen van schrik weer terug in de oude patronen. Zo is de redactie van een weekblad buitengewoon verbolgen dat haar hoofdredacteur voor alle zekerheid verkoos op zijn vakantie-adres op het Krim te blijven, terwijl zijn krant in levensgevaar verkeerde. Ter rechtvaardiging voerde hij aan dat hij geen vliegbiljet kon krijgen en dat hij niet precies wist wat er aan de hand was. “Alsof wij wel wisten wat er aan de hand was toen we naar het Witte Huis gingen!”, zei een van zijn redacteuren moedig.

Toch blijft voorlopig alles arbitrair, te meer daar iedereen nog in het duister tast over de ware toedracht van de zaak. Op de eerste dag waren er niet meer dan 5000 mensen bij het Russische parlement. Voor een stad van 9 miljoen inwoners is dat niets, en in de rest van de stad ging het leven gewoon door.

Een snorder die me naar huis bracht zei dat hij voor democratie en tegen de communisten was, maar dat hij er niet over gepiekerd had naar het Witte Huis te gaan. “Ik heb geen flauw idee wat daar voor spelletje wordt gespeeld”, zei hij. “Je gaat je leven toch niet in de waagschaal stellen als je niet weet voor wiens karretje je wordt gespannen?”