Hardvochtig en onverstandig

Mensen zijn soms wat vergeetachtig. In april van dit jaar liep minister De Vries van sociale zaken rond met de gedachte om de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering af te schaffen. Toen hij dit had verteld aan zijn staatssecretaris Ter Veld was haar reactie: “dan moet je eerst mij afschaffen” (NRC Handelsblad, 25 april 1991). Nog geen drie maanden later is zij mede verantwoordelijk voor een kabinetsbesluit dat naar de woorden van prof. A.H.J. Kolnaar, voorzitter van de werkgroep uit de Sociaal Economische Raad die het advies van de SER over de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft voorbereid, “feitelijk betekent dat de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt afgeschaft” (NRC Handelsblad, 9 augustus 1991). Staatssecretaris Ter Veld is echter nog niet afgeschaft.

De collectieve lasten in ons land zijn te hoog en moeten in 1994 omlaag met 4,4 miljard gulden. Dat is hetgeen wordt beoogd in het kabinetsbesluit van 13 juli (Staatscourant, 15 juli 1991) waarin onder meer het voornemen is uitgesproken de uitkeringsduur krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor personen jonger dan vijftig jaar drastisch te bekorten (men spreekt van één jaar; nu loopt deze uitkering bij blijvende invaliditeit door tot het 65-ste jaar). Aan hun eventuele recht op een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet zal niet worden getornd. Deze uitkering bedraagt bij volledige arbeidsongeschiktheid 70 procent van het minimumloon en is bij gedeeltelijke invaliditeit naar evenredigheid lager. Wie minder dan 25 procent arbeidsongeschikt is, krijgt uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet echter niets, ook niet als hij een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering genoot (waar de ondergrens 15 procent bedraagt).

Dit alles komt er in de praktijk op neer dat bij invoering van de voorgestelde maatregelen (het kabinet streeft naar 1 juli 1992) het grootste deel van de uitkeringstrekkers krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, jonger dan vijftig jaar, van 1994 af zal zijn aangewezen op de Algemene bijstandswet die een echtpaar recht geeft op een uitkering gelijk aan het netto-minimumloon. Voor werknemers onder de vijftig jaar die arbeidsongeschikt worden, zal de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering vrijwel elke inhoud verliezen hoewel ze natuurlijk wel de volle premie hebben betaald. Menige werknemer zal op zijn vijftigste verjaardag een extra-borrel schenken.

De minister van financiën noemde de maatregel hard maar verdedigbaar.

In tegenstelling tot de Algemene arbeidsongeschiktheidswet, die een volksverzekering is waarop in beginsel alle Nederlandse ingezetenen bij arbeidsongeschiktheid een beroep kunnen doen, is de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering een werknemersverzekering uitsluitend ten behoeve van de werknemers in het bedrijfsleven. Niet krachtens deze wet verzekerd, zijn de werknemers in dienst van de Staat, van de lagere overheden en van het gesubsidieerde onderwijs. Zij hebben bij langdurige arbeidsongeschiktheid recht op een burgerlijk of militair invaliditeitspensioen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds of van het departement van defensie. Deze invaliditeitspensioenen zijn niet slechter en in sommige opzichten zelfs beter dan die krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De overheid is veruit de grootste werkgeefster van ons land; de aantallen geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikte ex-ambtenaren zijn niet verwaarloosbaar klein. In het kabinetsbesluit wordt van deze groep echter niet gerept. Dit schept in het geval van arbeidsongeschiktheid een grote mate van rechtsongelijkheid tussen de werknemers in overheidsdienst en die in het bedrijfsleven. Het spreekt vanzelf dat een werkgever goed zorgt voor zijn personeel. Het spreekt vanzelf dat de overheid in haar hoedanigheid van werkgeefster opkomt voor haar ambtenaren. Maar is het ook vanzelfsprekend dat de overheid bij ingrijpende bezuinigingsmaatregelen haar ambtenaren in een bevoorrechte positie plaatst? Is dit ook hard maar verdedigbaar?

In het kabinetsbesluit wordt uitsluitend gesproken over de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en - in mindere mate - over de Ziektewet. Het gaat hier dus om een bezuiniging op een beperkt deel van de collectieve lasten: de premie voor de Ziektewet en die voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze premie maakt bedrijfseconomisch bezien deel uit van de loonkosten van het bedrijfsleven. Bezuiniging op deze premie betekent verlaging van de loonkosten, dus verlaging van de kostprijs. Dat oefent bij een oplopende inflatie een gunstige invloed uit op het prijspeil in het binnenland en vergoot de afzetmogelijkheden van het bedrijfsleven in het buitenland.

Wat betekent de voorgestelde ingreep in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering echter voor de huidige uitkeringstrekkers die op 1 juli aanstaande nog geen vijftig jaar zijn? En voor de werknemers die na 1 juli blijvend invalide worden, maar jonger zijn dan vijftig jaar? Worden zij weer arbeidsgeschikt? Worden zij weer opgenomen in het bedrijfsleven? In de Staatscourant van 15 juli wordt een overzicht gegeven van de plannen van de overheid, van de sociale partners en van de uitvoeringsorganen der sociale verzekering, ter beperking van het ziekteverzuim en de langdurige arbeidsongeschiktheid, voor het merendeel evenwel toekomstmuziek. Dat overzicht ziet er goed uit en men mag hopen dat die plannen niet slechts gebaren van goede wil zullen blijken maar in daden zullen worden omgezet. Echter: alvorens deze toekomstmuziek zal klinken, trekt de grote meerderheid van de invalide werknemers die jonger zijn dan vijftig jaar hard maar verdedigbaar van de bijstand.

Deze groep wordt van de ene collectiviteit, het bedrijfsleven dat de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bekostigt, afgewenteld op een andere collectiviteit, die van de belastingbetalers, die de middelen opbrengen waaruit de bijstand wordt bekostigd. Waar blijft nu de bezuiniging? Die bezuiniging is: een besparing op de loonkosten van het bedrijfsleven verminderd met een verhoging van de lasten van de overheid.

Beschouwt men de Nederlandse staatshuishouding als één geheel, dan lijkt het saldo van deze maatregel op het eerste gezicht voordelig. De uitkeringen krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering liggen immers op een aanzienlijk hoger peil dan de bijstand. Er is echter één maar. De uitkeringstrekkers krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering betalen vrijwel allen een niet te verwaarlozen bedrag aan loonbelasting; de uitkeringstrekkers krachtens de Algemene Bijstandswet en de Algemene arbeidsongeschiktheidswet betalen, uitzonderingen daargelaten, slechts heel weinig loonbelasting. Dus: de loonkosten van het bedrijfsleven gaan omlaag, terwijl de lasten van de overheid stijgen en haar inkomsten dalen. En het kabinet moet nu al weer één à anderhalf miljard gulden extra bezuinigen, een tegenvaller die wordt veroorzaakt door een vermindering van de economische groei van ons land (NRC Handelsblad, 16 augustus 1991). De kabinetsvoorstellen zijn hard, maar zijn zij uit een macro-economisch gezichtspunt ook verdedigbaar?

De strekking van het geheel van sociale voorzieningen dat is voltooid door de invoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op 1 juli 1967 en van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet op 1 oktober 1976 is niet alleen de verzorging "van de wieg tot het graf'. Onze sociale voorzieningen maken deel uit van het streven naar een welvaartsstaat waarin economische crises worden voorkomen door beheersing van de conjunctuur. Economische crises hebben de neiging zichzelf te versterken. Zij beginnen met het macro-economisch schijnbaar weinig betekenende faillissement van enkele bedrijven waarvan het personeel wordt ontslagen. Als dit personeel wordt teruggeworpen op een bestaansminimum verliest het zijn koopkracht. De afzetmogelijkheden op de binnenlandse markt krimpen in. Meer bedrijven gaan failliet, meer personeel komt op straat te staan. De afzetmogelijkheden krimpen verder in. Enzovoort. De recessie ontwikkelt zich tot een crisis. Het is het beeld dat de oudere generatie kent uit de vooroorlogse crisisjaren en uit de toenmalige bezuinigingspolitiek van de ministeries-Colijn (1933-1939), waartegen de toenmalige SDAP tevergeefs storm heeft gelopen. Deze partij, voorgangster van de PvdA, lanceerde in 1935 het Plan van de Arbeid dat voorzag in de schepping van werkgelegenheid ter verhoging van de koopkracht.

Groeide onze economie in 1989 en 1990 nog met ruim 4,5 procent, voor 1991 wordt slechts een groei verwacht van ruim 2 procent. Het Centraal Planbureau voorspelt voor 1992 een verdere afneming tot ruim 1 procent. Het aantal ondernemingen dat in de eerste helft van 1991 failliet is gegaan is 11 procent hoger dan in de eerste helft van 1990. Is het in die omstandigheden verdedigbaar dat de overheid harde maatregelen treft die in 1994 de koopkracht van meer dan 50.000 en daarna van ongeveer 125.000 mensen drastisch zullen verminderen?

Het streven van dit kabinet is om in 1994 de lasten van het bedrijfsleven door verlaging van de WAO-premie met ongeveer 2,5 miljard gulden te verlagen. Tezamen met de geschatte gevolgen van een krachtiger bestrijding van het ziekteverzuim ter grootte van 1,85 miljard gulden moet dit de gewenste besparing van ongeveer 4,4 miljard gulden opleveren. Aangezien de kosten van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden bestreden met het "omslagstelsel', hetgeen zeggen wil dat de jaarlijkse premie ongeveer gelijk is aan de uitgaven, betekent dit dat de koopkracht van de 50.000 mensen die in 1994 hun WAO-uitkering zullen verliezen, eveneens met circa 2,5 miljard gulden zal dalen. Theoretisch zou dit bedrag moeten worden verminderd met de bijstandsuitkeringen maar de feitelijke koopkracht van de bijstandstrekkers is in dit verband minimaal. In de jaren na 1994 zal de binnenlandse markt de koopkracht van 125.000 mensen grotendeels verliezen, dus een slordige 6,5 miljard gulden die bij handhaving van de huidige uitkeringsvoorwaarden worden behouden.

Tegenover een lastenverlichting voor het bedrijfsleven staat een verlaging van de inkomsten van de overheid en een verhoging van haar lasten. In een tijd van dreigende recessie wordt de koopkracht verlaagd. Deze combinatie van voor de staatshuishouding nadelige factoren is hoogst gevaarlijk.

Er is al vaak op gewezen dat in het kabinetsbesluit de arbeidsongeschikte mens is verdwenen achter de bezuinigingsdrift. Dat is niet helemaal waar. Minister De Vries heeft de maatregelen weliswaar verdedigbaar maar ook hardvochtig genoemd (NRC Handelsblad, 13 augustus 1991). In dat woord klinkt iets door van begrip voor het lot van 50.000 invalide mensen die voor de toekomst van hun gezin hadden gerekend op de zekerheid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering maar die nu oog in oog staan met de armoede van de bijstand.

De minister gaat echter niet ver genoeg. De plannen zijn uit menselijk oogpunt hardvochtig en in macro-economisch opzicht onverstandig.