Een Turk in Mokum; Halil Gür: Een sprookjesstad maar ook een hel

Toen de Turk Halil Gür zeventien jaar geleden naar Nederland kwam, was elke Westeuropeaan in zijn naïeve ogen een profeet. “De pijnlijke ervaringen die ik had, waren nodig om hier als schrijver herboren te worden.” In de zomerserie komen dit jaar buitenlandse kunstenaars aan het woord. Dit is de elfde aflevering.

“Mijn werk op de bank is eentonig en geestdodend. De collega's kennen elkaar niet echt, ze spelen rollen in nette pakken.” De Turkse schrijver Halil Gür (40) is een beminnelijk man, die zich niet gauw laat gaan, maar na zeventien jaar is het hem de laatste tijd te veel geworden. “Bedrijven denken alleen aan winst en de mensen worden daar het slachtoffer van.”

Het schrijven was en is niet alleen een compensatie voor zijn dagelijkse werk, Gür wil zich er ook steeds intensiever mee bezighouden. “Als ik in Turkije was gebleven, was ik geen schrijver geworden. Ik had dan nooit de keuzes gehad die een land als Nederland te bieden heeft. Hier en nu wil ik graag schrijver zijn, signalen en problemen oppikken en die verwerken tot verhalen.”

Gür, die sinds 1974 in Nederland woont, schreef twee verhalenbundels (Gekke Mustafa en andere verhalen en De hemel bleek grauw) en twee kinderboeken (Mijn dappere moeder en Een kind vliegt door de nacht). De verhalen, die vaak het bestaan van een buitenlandse werknemer als onderwerp hebben, spelen afwisselend in Turkije en in Nederland. Zijn werk is diverse malen bekroond en Gür toont mij in zijn Amsterdamse woning het brons dat bij de Halewijnprijs hoort. Het kranteknipsel met het verslag van de prijsuitreiking in Roermond eerder dit jaar meldt, zo benadrukt Gür, dat ook Ischa Meijer en Connie Palmen die avond voorlazen. Behalve knipsels heeft Gür indrukwekkende mappen met brieven van lezers. In de huiskamer staan verder veel boeken - in het Nederlands en in het Turks - tijdschriften en een enkele krant.

De schrijver is afkomstig uit het dorp Gaziantep in het zuidoosten van Turkije. Na een paar jaar architectuur in Istanboel te hebben gestudeerd en een bestaan als gids voor toeristen kwam hij naar Nederland voor een vakantie. “Elke Westeuropeaan was in mijn ogen een profeet. De toeristen die ik in Turkije had ontmoet waren zonder uitzondering aardige mensen. Van een aantal van hen had ik ook het adres gekregen, hoewel ik daar uiteindelijk weinig gebruik van heb gemaakt. Toen ik hier kwam keek ik iedereen ook vol vertrouwen aan, naief als ik was. Het begon al direct op Schiphol, waar ik aankwam met maar vijftig gulden op zak. De douanebeambte nam mij apart, het was een grote man met blond haar. Hij leek me aardig, het voorbeeld van een profeet, en ik had geen moment het idee dat er ook maar iets mis zou kunnen zijn. Ik moest even wachten en toen zag ik dat ik kort tevoren diezelfde beambte in Istanboel had rondgeleid. Puur toeval! Hij was zo blij verrast dat hij me niet verder meer controleerde en alleen maar zei: prettige vakantie. Achteraf begrijp ik dat hij me beslist niet had doorgelaten als ik hem niet had herkend.”

Gür liep naar eigen zeggen rond als een Amerikaanse toerist. Hij was jong, had lang haar en een snor en sprak Engels met veel slang. Hij straalde een onverwoestbaar optimisme uit omdat hij werkelijk dacht dat het Westen een sprookjeswereld was. Mensen boden hem af en toe een slaapplaats aan maar hij sliep ook in pensions, onder de brug bij het Centraal Station in Amsterdam en op andere plaatsen in de buitenlucht.

“Ik besloot na drie maanden, toen mijn toeristenvisum verliep, gewoon te blijven. Het positieve beeld dat ik had stortte gauw in want ik voelde me echt iemand die tussen twee culturen zit.” Enigszins plechtig voegt hij er aan toe: “Maar de pijnlijke ervaringen die ik had waren nodig om hier als schrijver herboren te worden. Ik had allerlei baantjes, zoals schoonmaker, maar ik was later ook chef-garçon bij het Marriott-hotel. En ik kwam al gauw bij een bank te werken. Ik gaf me uit voor student zodat ik min of meer legaal dat werk kon doen.”

Volgens Halil Gür moet iedere buitenlander die het lukt hier Nederlands te leren, van staatswege bekroond worden. De Nederlander houdt te weinig van zijn taal om het anderen te willen leren en spreekt daarom ook het liefst Engels of Duits tegen buitenlanders. “Toen ik dagafschriften sorteerde in de avonduren, werkte ik samen met jonge mensen die in groepjes aan tafels zaten. Ik wilde graag Nederlands leren, dus ik stelde de hele tijd vragen. Daar hadden ze geen geduld voor en ik kreeg voortdurend ruzie. Als oplossing bedacht ik dat ik elke avond ergens anders moest komen te zitten en dat ik moest proberen iets te vertellen te hebben. Dat werkte wel.”

Gür spreekt en verstaat het Nederlands uitstekend, maar zijn boeken schrijft hij in het Turks. Zijn verhalen zijn tot op heden niet in Turkije verschenen, op enkele afzonderlijke publikaties na. Gür tilt daar niet zo zwaar aan, zegt hij. Tenslotte is hij ook al zo lang uit Turkije weg dat hij zich meer verbonden voelt met de Turken die net als hij zijn weggetrokken, dan met de inwoners van zijn geboorteland. Toch leest hij trouw Turkse kranten en tijdschriften en gaat hij eens per jaar voor een paar weken naar zijn familie in Turkije.

Omdat het een mooie avond is en Gür ervan houdt om te zwerven, besluiten we het gesprek voort te zetten op een terras in het Vondelpark. “Daar onder die brug heb ik ook geslapen”, wijst Gür onderweg aan. Hij heeft een speciale band met de stad: “Amsterdam is de baarmoeder waar ik als schrijver geboren ben. Amsterdam is een sprookjesstad maar ook een hel, het is het mekka van de eenzaamheid, huiskamer maar ook gevangenis.” Niet alleen Amsterdam inspireert tot filosoferen. Desgevraagd wil hij ook wel een mening over Nederlanders kwijt: “Zo aardig als Nederlanders voor katten en honden zijn, zo aardig zouden ze ook voor vrienden, buren en kennissen moeten zijn.”

Na publikatie van vier boeken tot nu toe wil Gür zich nog meer gaan toeleggen op het schrijven, “desnoods voor minder geld”. De laatste maanden is hij ook begonnen met het schrijven van poëzie. Hij omschrijft het ontstaan ervan als een explosie. Een dichtbeschreven notitieboekje vol Turkse regels is het bewijs van zijn activiteiten. Intussen schrijft hij verder aan nieuwe verhalen. Hij geeft regelmatig lezingen en leest voor op scholen. De reacties zijn meestal enthousiast, veel scholieren raken geïnteresseerd in zijn werk en schrijven brieven. “Mijn boeken werken als een paspoort, ik kom overal binnen. Ik krijg iets te drinken aangeboden of ik mag in de keuken iets gaan eten. Hoe vaak overkomt dat een Nederlandse schrijver?”