De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Oef! Dat was het nippertje! Wat ik me nou toch weer heb meegemaakt! Door het oortje van de naald gekropen! Hoog spel gespeeld! Tsjongejonge! Ik ga een heleboel uitroeptekens gebruiken! Wat een vuilakken! Wat een smerige verraders! Voor hetzelfde geld zat ik nu in het vliegtuig naar Moskou! Voor welk zelfde geld? Laat ik bij het begin beginnen dan eindig ik vanzelf bij dat middel.

Het lijkt eeuwen geleden. Maar het was vorige week maandag. Ik krabde de binnenkant van een grote olietank schoon. Vies werk. Ongezond werk. Gevaarlijk werk. Slecht betaald werk. Maar het is: werk. Ander werk is er niet als je geen Sofi-nummer hebt.

Wie had de zaak verraden? Werklozen die jaloers waren op ons werk? Werkgevers die me op die manier niet hoefden te betalen? Emilie die ik laf had verlaten? Emmie die nog geld van me kreeg? Eline?

Ze stonden te wachten toen ik uit de tank kroop.

De politie. Ze vroegen onze papieren. Wij hebben geen papieren. Acht Afrikanen werden in een busje gepropt. Die vliegen nu naar Afrika en ze mogen nog blij zijn dat het vliegtuig landt voor ze eruit gezet worden. Ik moest in de politieauto, want ze wisten niet naar welk land ik moest.

Ze dachten dat ik een Pool was. “Ik ben Rus”, zei ik in smetteloos Nederlands. Ze barstten in schateren uit. “En nu zeker asiel vragen, Slimmerikski!” riep de een. “Wij zijn allemaal Russen!” riep de ander. Rus is het begin van rechercheur en daarom noemen ze een rechercheur wel: een rus.

Om te zien of ik een Rus was, vroegen ze me: “Hoe heet de Russische president?” Alsof mij die politiek ene moer interesseert. Ik speelde de rol van een Nederlander die de rol van een Rus speelt. Ik citeerde Wasili Rozanov: “Russen hebben altijd één gedachte: hoe werk te vermijden.” Toen ik dat Emmie woensdag vertelde, zei ze: “Je hebt zeker zelf de politie gebeld, zodat je niet meer hoefde te werken!” Maar ik kon toch niet weten dat alles zo goed zou aflopen?

Ik moest de cel in. De zwaarste nacht van mijn leven. Ik besloot liever een eind aan mijn leven te maken dan vernederd terug naar huis te gaan. Voor een tientje liet een agent me bellen. Ik belde Oralaboro, deed of ik niet wist dat ze me afluisterden, sprak Nederlands en zei dat ik net dee of ik een Rus was.

Woensdag kreeg ik bezoek. Emmie en Eline en Emilie.

Ik hield me goed maar ik kookte aan de binnenkant. Wat was er aan de hand? Wie kon ik vertrouwen? Wat moest ik zeggen? Met elk van de drie had ik innige betrekkingen onderhouden. Elk van de drie had een grief.

Emmie had een fotootje dat Emilie van me had gemaakt op het rijbewijs van Elines broer geplakt. Ze beweerden dat ik een gek was die zich voor Rus uitgaf en dat mijn psychiater, ze gaven zijn telefoonnummer, dat kon bevestigen. De rusjerseur belde dat nummer, en kreeg van Oralaboro te horen dat ik een ernstig geval van Russomanie was. Ik werd vrijgelaten. De agenten hadden veel waardering voor mijn “russische” accent.

Thuis kreeg ik de wind van voren. De drie stelden hun voorwaarden. Ik moest dit en ik moest dat. Ik mocht niet meer stelen of werken, ik moest de bedden opmaken en mijn grote mond houden. Ik zei dat ik even een pakje sigaretten ging halen.

Op straat liep een toeriste met een buikbandbankgordel om haar middel.

Ze zag dat ik een vernederd pantoffelmannetje was. Ik wees op haar buikkluissluiting en zei: “Not good!” Dankbaar maakte ze het ding los en bekeek de sluiting. Ze zag er niets verkeerds aan. Ik stak mijn handen uit. Ze legde de gordel erin. Toen zag ze mijn echte gezicht. Een dief! Misschien Met Een Mes! Ze rende gillend weg. Ik bleef met haar schat staan. Is dit diefstal? Of is dit als een bank, die zijn deur opendoet en wacht tot er iemand zo stom is om zijn geld daarheen te brengen? De drie tantetjes kunnen lang op hun sigaretjes wachten.

wordt vervolgd