De ergernis van de DTC-GKG D III

In 1900 prees de Londense uitgever van sportboeken Everett het boek "Sharpshooting for Sport and War' van W.W. Greener als volgt aan: “De schietsport is voor elke Brit van levensbelang. Alleen door een doeltreffend gebruik van vuurwapens kan het "Empire' in stand worden gehouden.” Met die advertentie benadrukte Everett het heldhaftige karakter van de sport, maar hij speelde tevens een troef in handen van sceptici. Die brengen de schietsport vooral in verband met gevaar en onverantwoorde risico's. En in de meest extreme gevallen plakken zij haar het etiket "militaristisch' op.

Zaterdag werden bij het "Nederlandse kampioenschap standaardgeweer groot kaliber', op de Rijksschietbanen van de Koninklijke Landmacht in Leusden, volop pogingen ondernomen die beeldvorming te bestrijden. Dat ging soms met een aan panische schrik grenzende ijver gepaard. “Laat het woord wapen alsjeblieft weg. Wij spreken liever van een geweer”, zegt Herman van Zanten. De DTC-GKG D III (districts technische commissaris groot kaliber geweer van het district III) van de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie ergert zich er steeds weer aan dat “je bij elk gesprek over de schietsport op justitie en aanverwante zaken stuit. Dat gebeurt bij geen enkele andere sport”

De schietsport in Nederland kampt nog altijd met de eigen historie waarin de met veel traditie omgeven schuttersgilden en de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, waar “het verhogen van 's lands weerbaarheid” het credo was, aanvankelijk de schutterij vertegenwoordigden. Maar halverwege de jaren zestig ging het roer volgens Van Zanten (“uniformen werken bij mij als een rode lap”) rigoreus om. “Wij hebben het niet over schietverenigingen maar schietsportverenigingen. Dat is een bewuste vorm van imagebuilding. Mensen die zich in paramilitaire toestanden hullen sturen we liever door naar de Nationale Reserve. Wij zijn puur met sport bezig.”

Dat de bijna 30.000 leden van de KNSA zich meer dan elke andere sporter moeten verantwoorden voor hun activiteiten wordt dan ook beschouwd als een groot onrecht. In Nederland is iedere schutter verplicht het aantal schietbeurten op een schietregister te laten noteren. Zo kan worden aangetoond dat er een redelijk belang tot het bezitten van een geweer is, noodzakelijk voor de verlenging van het verlof voor wapenbezit. Van Zanten zegt elke keer weer een nare smaak in de mond te krijgen wanneer hij zijn schietregister moet overleggen en krijgt daarin bijval van de heer Zoetmulder, voormalig bestuurslid van de KNSA en voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Wapenverzamelaars.

Zoetmulder (“voorletters D.W.: Delta Whisky”) is “in de meest algemene zin” geïnteresseerd in de wapensport en verbaast zich zo mogelijk nog meer over de connecties met het militair instituut die de gemiddelde leek meent te herkennen. Het besef dat de schietsport wordt beoefend door “dezelfde mensen die ook autorijden, iedereen dus” zou eens bij het grote publiek moeten doordringen. “Want hier komen mensen van divers pluimage. Mensen met een salaris van dertig keer modaal maar ook jongens die het niet verder schoppen dan korporaal 1”, zegt Zoetmulder.

Als bestuurslid van de KNSA lag voor Zoetmulder een schone taak weggelegd het grote misverstand weg te werken totdat hij uit principiële overwegingen besloot de bond niet op de Olympische Spelen van Moskou 1980 te vertegenwoordigen. Als liefhebber blijft Zoetmulder vierkant achter zijn sport staan en hij kan zich nog kwaad maken over het Kamerlid “van duidelijk linkse signatuur” dat het enige jaren geleden in de Tweede Kamer waagde te vragen of zoveel schutters in Nederland geen gevaar voor de samenleving zouden kunnen opleveren. De beste maatstaf om af te meten hoe gevaarlijk de schietsport is, vindt Zoetmulder nog altijd het bedrag dat hij als KNSA-lid jaarlijks voor de collectieve WA-verzekering (“inclusief rechtsbijstand”) moet betalen: één gulden.