Amsterdam is voor Italianen ongekende vrijplaats

AMSTERDAM, 26 AUG. Klingelen helpt niet, roepen ook niet, zelfs niet in het Italiaans. “Porca puttana, overal die fietsen!”. De mevrouw maakt een verontwaardigd handgebaar. “Wat een manieren”, zegt ze met die vreemde ingeslikte "r' van Milanese chique.

Dat er ook fietsen op straat rijden, lijkt er niet in te willen bij het groepje Italiaanse toeristen dat midden op straat samenklit en daar blijft lopen. Met grote ogen kijken ze om zich heen. Een prostituée zit achter het raam te breien. De mannen stappen wijdbeens verder, de vrouwen fluisteren opgewonden. De groep is nog kwetterend en lang gerekt, want ze gaan de Wallen óp. Van de andere kant komen ze de Wallen áf, beduusd en op elkaar geplakt.

Dit seizoen geeft een sterke stijging te zien van het Italiaanse toerisme naar Nederland. "Hordes Italianen overspoelen ons land', interpreteerde een ochtendblad vorige week het beeld van de lange slierten campers op de wegen, dwarsgeparkeerde auto's in de steden, honderden Italianen voor de ijsstalletjes. Vorig jaar bezochten meer dan 360.000 Italianen ons land, vijftig procent meer dan het jaar daarvoor. Ondanks de Golfoorlog en de stagnatie van de Italiaanse economie verwacht men dat het aantal dit jaar nog verder is toegenomen. “De Duitsers, daar komen ze nog niet overheen, maar de Italianen vormen ongetwijfeld de snelst stijgende groep”, zegt G. Reinja van het Nederlands Bureau voor Toerisme.

“Ik doe niet anders dan Italianen inschrijven”, zegt receptioniste R. Hasselt van camping De Jagerstee in de bossen bij het Gelderse Epe. “Una notte?”, vraagt ze aan een paar jongens uit Triëst. Ze heeft zichzelf maar wat Italiaans geleerd. “Die mensen praten geen woord over de grens en dat vinden ze zelf heel normaal.” Ze drukt de jongens een stenciltje in de hand: de campingregels in het Italiaans. De jongens parkeren hun caravan en zetten water op voor hun meegebrachte spaghetti; uit de cassetterecorder klinkt Italiaanse rock. Waarom ze naar Nederland zijn gekomen weten ze niet precies. Iets met Van Gogh, en de Nederlandse voetballers. Ach, het is lekker goedkoop, en de Italiaanse zon en zee hebben ze genoeg gezien: “Er spoelen toch alleen Albanezen aan.” Maar Amsterdam is wel een mythe, ze gaan er morgen naar toe. “Daar is niet de druk van het conformisme”, komt de oudste plotseling filosofisch uit de hoek. Zijn ogen beginnen te schitteren: “De paus bij ons, dat merk je wel hoor.”

“Brutte”, allemaal lelijk, zegt Paolo uit Turijn. Hij komt met zijn vrienden de Wallen af. De ego's zijn wat gedeukt, de blik bewolkt. Charme telt nu eenmaal niet waar de liefde te koop is. Tegen de pui van een koffieshop trekt hun stemming weer bij. De ruggen worden gerecht, de zonnebrillen gaan hoog op het hoofd. Nee, de vrouwen vonden ze niks. Vrouwen uit de Derde wereld, smalen de jongens. Brede heupen en snorren hebben ze. “Dan kan ik het net zo goed met mijn tante uit Sardinië doen”, zegt Paolo. Hij wil gewoon blond, met lange benen, en vrouwen die het gratis doen om hèm. “Is dat zo vreemd?”

Uit de koffieshop drijft de damp van hasj. Rockmuziek stampt uit de juke-box. Drie meisjes met gekleurde tasjes op hun buik dralen op de drempel. Ze hebben alles al gezien: het Van Gogh-museum, de Walletjes, het Ajax-stadion. “Het idee van de vrijheid”, knikken ze gedrieën op de vraag wat hen in Nederland trekt. Nee, hasj roken doen ze niet. “Het is hier wel een avontuur”, zegt de kleinste, uit Rimini. Met haar hand somt ze op: het hotel heeft geen bidet, het hele sanitair is trouwens een warboel, de portier draagt hun tassen niet de trap op. En dan het eten... “Pff”, gruwen de meisjes. Waar ze gaan eten? Bij de Italiaan natuurlijk! Al tien dagen lang. Ze verstaan het Duits toch niet dat de mensen hier in Nederland spreken. Hoe moeten ze anders bestellen? Het bericht dat veel pizzeria's in Nederland worden gedreven door Turken slaat hun met stomheid. “Zoiets dacht ik al”, fluistert het meisje op de gymschoenen en trekt haar vriendinnen mee.

In de koffieshop telt Eugenio zijn geld voor nog een perensapje. Zijn vrienden hangen achterover op de bank. “Totalmente fatto”, lachen ze, helemaal high. Op het tafeltje liggen drie bergjes weed, opgerookte peuken, een hasjpijpje. Zeven jonge mannen uit Milaan kijken lodderig over de gracht waar een bootje met harde Pavarotti-muziek voorbijtuft. Waarom ze hun vakantie in Nederland doorbrengen? “Ah cazzo!”, schampert Eugenio met een verontwaardigd handgebaar. “Wat dacht je dan dat een koffieshop was!?” De jongens zakken weg in hun roes. Bob Marley staart vanaf de schoorsteenmantel. “Vertel eens”, vraagt Eugenio plotseling. “Is het waar dat de koningin van Nederland op de fiets rijdt?” Hij strijkt zijn perzikkleurige hemd glad, rolt een nieuwe joint, en zegt: “Een koningin op een fiets. Dat vind ik chique!”

Buiten is het inmiddels donker. De lampjes van een sekshuis flitsen aan en uit. Uitsmijters proberen toeristen te lokken. Italiaans is ook hún voertaal geworden. “Sesso vero”, echte seks, sissen ze; maar het groepje van vier dat over de straatstenen stapt heeft meer aandacht voor een donkere vrouw met een lichtgevend behaatje achter een paars verlichte ruit. Ze wenkt, tuit haar lippen, en danst op de maat van onhoorbare muziek. Al tien keer zijn ze voor haar ruit heen en weer gelopen. Zenuwachtig paffen de jongens hun Malboro-lights. Ze dralen en lachen, te hard. “Hoeveel is vijftig gulden in lire?”, vraagt de stoerste. Hij haalt het geld uit zijn broekzak en maakt een schijnbeweging naar de deur: Het wordt een verzoek om een vuurtje aan een passerende landgenoot.

Een half uurtje later sluiten zich dan toch de gordijnen. De jongens wachten stilletjes alsof hun vriend binnen een dokters-ingreep ondergaat. “Zo'n vrouw is toch niks hoor”, zegt het kleine dikkertje van de groep. “Zo'n vrouw is niks.” Maar als de gordijnen weer open gaan komt hun vriend trots naar buiten. Nu gaan ze allemaal. Allemaal, behalve dikkertje. Gearmd lopen ze later langs de seksshops en bespreken hun ontmaagding. Dikkertje hangt er een beetje bij. Hij probeert het nog met een joint. Maar de anderen zijn niet meer geïnteresseerd. Ze klakken met hun tong naar de ramen. Ze benen rond tot de café's sluiten en de lichtjes doven.

Op een steen in het ochtendgloren zitten twee jongens. Hun overhemden zijn nog door mamma gestreken. Dromerig turen ze in de verte, alsof de troebele gracht voor hen een zee is. “Daar is ze weer!”. Een blonde vrouw neemt op de stoep afscheid van haar laatste klant. “Che bella”, wat is ze mooi, verzuchten de jongens.