Zoveel geluk

Het is een warme zomerdag. Lieveke van Prins bezoekt haar ouders en de inwonende tante Trees, een ongehuwde zuster van haar moeder. Al meer dan veertig jaar een ménage à trois. Ze drinken thee achter het huis in de tuin. De lucht is strak blauw. Vaag waaien geluiden van een nabije kermis aan. In de bekende kakofonie van muziek meent Lieveke de woorden "winnen, winnen, winnen' te horen; de rest vult haar hoofd moeiteloos aan: “met een beetje courage, een beetje geluk sleept u de grootste prijzen in de wacht.”

Haar licht dementerende moeder glimlacht tevreden terwijl ze naar de bakjes van het reuzenrad kijkt die, op hun hoogste punt, net boven de kruinen van de bomen uit komen. De vader heeft in zijn moestuin gewerkt. Nu moet het even zonnig blijven zodat het geschoffelde onkruid verdroogt, daarna kan hij een fikse bui gebruiken. Voor hem, op de grond, ligt een berg tuinbonen. Hij dopt ze met zijn grote, eeltige handen die tot aan de opgerolde overhemdsmouwen sproetig gebruind zijn. Net als zijn hoofd. Voor het overige weet ze hem roomwit, een melkfles. Tante Trees steekt een sigaret op. Er zijn weinig zestigjarigen die mooi roken; haar Dunhill staat elegant tussen de gelakte nagels. Ze trekt de panden van haar kimono over haar dijen, die vindt ze te dik. Voor het overige een donker gebruind "duidelijk niet-moeder-lichaam', meisjesachtig bijna, in bikini. Zij bracht begin jaren zestig de eerste echte sinaasappels mee uit Spanje die je daar zo langs de kant van de weg uit een boom kon plukken. Het waren heel andere dan je hier in de winkel kon kopen. Ze zal met niemand anders dan de zon zelf trouwen; die aanbidt ze.

“Wat”, vraagt Lieveke, “vinden jullie nu een onvolkomenheid in de schepping. Wat had je God op de valreep als tip willen meegeven? Papa?” De vader laat zijn bonen rusten. Kijkt omhoog en mompelt dat ze tegenwoordig alleen maar witte strepen in de lucht trekken terwijl ze vroeger tenminste schreven: ROXY. Dan komt hij ter zake: “Vliegen. Dat wij niet kunnen vliegen zoals een vogel, zoals die dikke duif daar, is een vergissing. Ik begrijp het niet, en ik heb er vaak over nagedacht. God moet vergeten hebben ons vleugels te geven want wat is er mooier dan vliegen.” Zijn ellebogen maken onwillekeurig een opwaartse beweging. Hij zwijgt. Zit. Stevig. Groot. Verder heeft hij er niets aan toe te voegen. Schudt meewarig het hoofd met nog altijd een rode kuif waarom hij vroeger "de fuut' werd genoemd. De vader heeft zichtbaar te doen met zijn God en dopt verder.

Tante Trees aarzelt ook niet lang met haar antwoord. “Als ik de schepper een suggestie had mogen doen dan had ik hem gezegd dat op je buik in de zon liggen onconfortabel is maar helaas noodzakelijk om de achterkant van je armen en benen niet al te erg af te laten steken tegen de voorkant. Na een paar dagen ben je van voren Mohammed Ali, van achteren Simonis. Op je buik liggend kun je niet lezen, geen drankje drinken, geen sigaret roken. De oplossing ligt voor de hand. Onze ledematen zouden net zo aan de romp bevestigd moeten zijn als bij poppen, met een stuk elastiek. Dan kun je gewoon blijven zitten en als de achterkanten een beurt nodig hebben draai je ze even om. Voilà. Eindelijk egaal bruin.”

De beurt is aan de moeder. Ze giechelt. Heeft geen tip. Weet geen onvolkomenheid aan te wijzen. Een wens dan? “Ik heb altijd zoveel geluk gehad in mijn leven”, begint ze. “Als meisje van veertien ben ik door nonnen uit Oss naar het Gooi gehaald omdat ik hier in het ziekenhuis kon komen werken. Soms liep ik langs dit huis en fantaseerde dan dat ik daar woonde; stelde me voor dat ik het raampje van de voordeur, bovenaan die deftige stoep, open zou doen om te kijken wie er had gebeld. Een paar jaar later ontmoette ik je vader in het ziekenhuis die daar de grote kolenkachels van de centrale verwarming stookte. We trouwden. Dit huis bleek een dienstwoning te zijn en binnen de kortste keren woonde ik er echt. Later heb ik nog eens zo'n geluk gehad. Jij zat net op de kleuterschool, samen met Hendrikje. Izaak al in de eerste klas. Ik had Fien in de wagen liggen en Peter zat voorop op het plankje. Breed hadden we het niet en ik was op weg naar Koster waar ik een lapje gezien had waar ik een bloesje van wilde maken. Ik bedacht dat ik een paar weken geen worst zou kopen om zo geld te sparen voor het lapje. Maar onderweg vond ik het zielig voor je vader, dus toch naar de slager. Toen vond ik een rijksdaalder. Zomaar op straat. Hij was van niemand. Zo kon ik èn de worst, èn het lapje kopen. Zoveel geluk heb ik in mijn leven gehad.”

Haar ogen dwalen af naar de hoge bomen aan de rand van de tuin. Ze kijkt naar de ronddraaiende bakjes van het reuzenrad, die bijna allemaal leeg zijn. Het is nog vroeg in de middag. “Wat ik leuk zou vinden”, zegt de moeder, “is dat er iemand in zou zitten die ik kende. Dan zwaaide ik.”

Lieveke rent weg. Let op, roept ze op het grindpad. Uit haar bakje wuift ze over de bomen heen naar haar moeder, die binnen een theedoek heeft gepakt om terug te zwaaien. De vader staat ernaast; met zijn handen aan zijn mond lijkt hij iets te roepen dat Lieveke niet kan verstaan.