Zes dagen vakantie met kansarme pubers; "Ha kankerlul!'

Met hun ouders kunnen ze niet op vakantie, daarom gaan ze een weekje op fietskamp. Tweeëntwintig kinderen, een week lang zwervend van camping naar camping. Ranja op kosten van het bedrijfsleven. Ze zijn nerveus en vaak agressief: "Frustraties, weet je wel.' Profiel van een groep Rotterdamse pubers uit de kansloze klasse: eerst een blowtje, dan spelen met een waterpistool, en 's avonds samen in de slaapzak.

Tijdens de eerste tocht sluiten Fred* en John vriendschap. Al fietsend werken ze grote hoeveelheden drop en toffees naar binnen. John, 13 jaar, tweemaal blijven zitten en nog altijd op de basisschool, is ongewoon dik en scheldt op alles en iedereen. Zijn lichaam zit hem bij het fietsen in de weg, wat bij Fred, mager als een lat, het idee oproept op zijn snoepgewoonten te letten: de volgende dag schakelt hij over op (drie zakken) chips, want daar zit geen suiker in.

Fred (15) ziet bleek en maakt een sombere indruk, zeker als zijn zakgeld na een paar dagen op is. Hij is gefixeerd op eten. Andere kinderen vraagt hij voortdurend om patat of chips, zijn bijnaam is "de bedelaar'. Het deert hem niet: hij smeekt net zolang totdat iemand er niet meer tegen kan.

Wat er ook op het programma staat, voor de aanvang vertelt Fred met een hoog stemmetje dat hij niet meedoet, om vervolgens als laatste aan te sluiten. Nooit heeft hij ergens zin in. Regelmatig wordt hij door andere kinderen geslagen, maar ook dat lijkt hem weinig te doen. Soms, tijdens het fietsen, vertelt hij flarden van zijn levensgeschiedenis. Dat hij vroeger met zijn vader ging vissen, dat hij nog steeds van hem houdt. ""Nu ga ik ook nog naar een internaat.'' Om dan meteen de cruciale vraag te stellen: ""Heb u misschien snoepies?''

Fred wast zich niet en draagt de hele week dezelfde kleren: blauw trainingspak, oranje-wit gestreept T-shirt en zwembroek. Met de laatste weet hij een aantal kinderen de eerste dagen te imponeren: New Kids on the Block staan erop afgedrukt. Maar als hij John de broek aan het eind van de week aanbiedt in ruil voor twee patatjes-oorlog, krijgt hij te horen dat die het ""vieze, stinkende tyfus-ding'' nog niet wil al zou hij een patatje toe krijgen. John heeft de vriendschap dan allang beëindigd: ""Het gaat die goser alleen om snoep, jôh.''

Fred is nu voortdurend alleen, en vertelt tijdens het fietsen steeds meer over zijn vader. Moeder was in bed aan het vrijen met een andere man, vader lag er dronken naast - het is een jaar of wat geleden. Zijn zusje kwam binnen, vader werd wakker en ging slaan. Sindsdien mag hij hem niet meer ontmoeten. ""Vind ik niet tof.'' En een tijdje terug verdween ook zijn zusje uit huis. ""Ze wilde geen sigaretten halen, toen moest ze weg.''

""Lekkere moeder heb jij'', zegt Mart, die achter hem fietst.

""Soms is ze best lief.''

Kommissie kinderkampen

Met tweeëntwintig kinderen en acht begeleiders is het gezelschap zes dagen eerder naar Nijmegen vertrokken. De kinderen, in de leeftijd van twaalf tot achttien, gaan mee omdat hun ouders ze geen vakantie kunnen bieden. De meesten leven in een gebroken gezin in Crooswijk, Spangen of Overschie. Ze zijn opgegeven door het Riagg, het maatschappelijk werk, de kinderrechter of hun ouders. Op de aanmeldingsformulieren zijn ze niet zelden getypeerd als agressief, nerveus. In de omgeving van Nijmegen, waar van camping naar camping wordt gefietst, is geen van hen ooit geweest.

Werd dit soort kampen tien jaar geleden geheel met subsidie bekostigd, dezer dagen is het budget afhankelijk van giften van het Rotterdamse bedrijfsleven. Een gepensioneerde vrijwilliger van de Kommissie Kinderkampen Rotterdam, die diverse van dergelijke vakanties organiseert, fietst daartoe in het voorjaar langs bevriende relaties, waarmee hij ook voor dit kamp enige duizenden guldens heeft vergaard. Zo kan er de hele week ranja worden geschonken, en soms een kommetje merkloze cola.

De begeleiding is eveneens ontdaan van gesubsidieerde krachten. Betreurd wordt dat niet - de begeleiders maken zich niet druk over dergelijke kwesties. Ze hebben het kamp vooraf georganiseerd: de campings uitgezocht, de fietsroutes bepaald, het programma (vooral sport en spel) samengesteld. De meesten gaan voor de derde of vierde keer mee, een van hen is er voor de achtste keer bij en functioneert informeel als leider der begeleiders. Het zijn late twintigers of jonge dertigers, randstedelingen met goed-betaalde banen, die geen enkele educatieve pretentie hebben: ze willen vooral niet te bemoeizuchtig zijn. Er zijn wat regels - geen drank & drugs, niet samen slapen, verplichte deelname aan de het programma - maar voor het overige moeten de kinderen vooral doen wat ze willen. Wie al zijn geld in een gokkast wil stoppen, stopt al zijn geld in een gokkast. De kinderen moeten het een aardige week vinden - meer doelstellingen zijn er niet.

Pikorde

Na een paar dagen bestaat er een redelijk strenge pikorde onder de kinderen. Een van de leiders is Syreen, een stille, ondernemende Surinaamse van 17 die al voor de zevende keer een dergelijk kamp meemaakt. Haar positie blijkt uit het feit dat ze als enige niet wordt uitgescholden, ook niet voor bruine. Wanneer een van de andere zes meisjes te ver gaat in haar hang naar een nieuw vriendje, is een vermanend woord van haar doorgaans afdoende.

Tussen de twaalf en de vijftien zijn de overige meisjes, en hun honger naar jongens is niet te stillen. Duidelijke selectiecriteria hebben ze niet, behalve een van de vier Surinaamsen: zij wil de twee in de groep aanwezige Eritreeërs niet, dat zijn ""vieze Afrikanen''. De anderen vinden dat onzin. Ze willen iedereen, althans bijna iedereen - ze willen in ieder geval iemand, anders blijven ze over en dat is erger dan hand-in-hand te gaan met een pummel.

Vanaf het vertrek zoeken ze toenadering tot de jongens, het initiatief is geheel aan hen. Via tussenpersonen wordt "verkering' gevraagd, bij bevestiging volgt daarna een eerste gesprek. Veel "verkeringen' houden geen half etmaal stand. 's Nachts - als de meeste begeleiders slapen - is het verloop even groot als overdag.

Op een ochtend tijdens het wassen meldt Lia (14) - geblondeerd, haarlak, zware oogschaduw - aan haar vriendinnen dat ze het heeft gedaan. De eerste keer. Vlakbij het kamp stond een stel "toffe' jongens: het type dat de hele dag voor de tent zit en slechts hardrock en pils uit kratten consumeert. Bij een van hen was ze vannacht op bezoek geweest. Ze had nog twee keer nee gezegd, maar nu was ze best trots.

""Hoer'', zei Syreen.

""Jôh, jij bent jaloers!''

""Je kènde hem niet eens.''

Later vertelt Lia tegenover een begeleider dat er niets is gebeurd. Een roep om aandacht, dat was het - dat is het hele spel met die jongens. En Lia is er het meest bedreven in. Op iedere nieuwe camping inspecteert ze het aanbod, en als er iets naar haar smaak tussen zit gaat ze erop af. Voor een vuurtje, of een vraag over de temperatuur van het zwemwater. ""Dan lach ik gewoon.''

Ze maakt een zelfverzekerde indruk en kan het met iedereen vinden, ook met haar ex-vriendjes. Het is goed dat ze een weekje van huis is, zegt ze. Thuis gaat ze 's avonds altijd weg, de straat op, de buurt in - voor de disco is ze nog te jong. Haar moeder heeft liever dat ze in huis blijft, maar ook zonder Lia's aanwezigheid heeft ze het al moeilijk genoeg.

Moeder is twee keer gescheiden en daarna, een paar jaar geleden, hertrouwd. De kinderen van haar man wonen nog in, maar de man zelf is een tijdje terug vertrokken met een vrouw van twintig. ""Zo zijn mannen'', zegt Lia die haar zusje onder de spanning zag bezwijken. Zij zit nu in een "soort gekkenhuis'. Met haar komt het misschien nooit meer goed.

Annelies, ook 14, is Lia's kampvriendin. Zij is de enige die zich tot één vriendje beperkt: Sjaak, 15, een verlegen, stoere jongen, die populair is omdat-ie alles durft. 's Nachts kruipt hij bij haar in de slaapzak, eindeloos worden ze betrapt en bestraft. Sjaak vindt het best: als-ie maar lol heeft. En ook Annelies accepteert het: ze wil Sjaak.

Annelies wisselt overdag lange lachbuien en ander opgewekt gedrag af met klachten over haar gezondheid en verhalen over de lastige kanten van haar leven. Ze woont in een pleeggezin, net als haar zes broers en zussen: moeder kon de opvoeding niet aan. Haar broers en zussen - de meesten hebben een andere vader - ziet ze nooit. Ze vindt dat "ellendig', maar wat ze ook probeert, ze kan ze nergens vinden.

Vader is ernstig ziek en kan het niet aan. Ze ziet hem daarom veel minder dan ze zou willen. Haar echte moeder ontmoet Annelies zelden, maar dat stoort haar nauwelijks. Een paar jaar geleden kreeg ze opnieuw een kind, Annelies is nog altijd vol onbegrip. ""Dat doe je zo'n kind toch niet aan?''

Taalproblemen

Na middernacht bespreken de begeleiders dagelijks wat er zich zoal aan vriendschappen en veenbranden in het groepje voordoet. Altijd is er wat, al is het zelden ernstig. Het vandalisme valt dit jaar erg mee, vinden ze. Nu schoppen ze bij het fietsen alleen tegen paaltjes, in vorige jaren sneuvelden complete verkeersborden. Ook wisselen de begeleiders de persoonlijke verhalen uit die ze die dag van de kinderen hebben gehoord. Als één van hen op een avond de vraag stelt hoe deze kinderen er over tien jaar voor zullen staan, is de opvatting eenstemmig: beroerd.

De meesten volgen een lagere beroepsopleiding. Kok willen ze worden, kelner, timmerman of gezinsverzorgster. Meer ambities hebben ze niet. Uitzonderingen zijn Anwar, een 15-jarige Egyptenaar die sinds zijn tweede in Nederland woont en een Atheneum-opleiding volgt, en de twee Eritreeërs, die beiden naar de Havo willen maar wegens taalproblemen - ze zijn hier drie jaar - nog in een schakelklas zitten. Zij drieën willen rijk worden, of in ieder geval slagen, anders is de kans groot dat ze op een goede dag het land uit worden gezet. De anderen laten niet blijken zich te bekommeren over hun latere maatschappelijke positie.

Het nieuws - is het de WAO-crisis, de ziekte van Claus of een verkrachting in Den Helder - laat ze geheel koud. Als op een dag De Telegraaf op tafel ligt, wordt alleen de pagina met de 06-nummers opgeslagen. En als tijdens een quiz gevraagd wordt naar een PvdA-politicus, noemen ze Van den Broek.

Hiphop, house, MC Hammer, L. L. Cool J. - dat beroert ze. De meesten mogen nog niet naar de disco, maar sommigen zitten er ieder weekeinde, en als het kan ook door de week. Tulah (15), de nog geen anderhalve meter lange zoon van een Nederlandse moeder en een Griekse vader, blijft doorgaans tot sluitingstijd, 05.00 of 06.00 uur. Van dansen wordt-ie rustig.

Tulah is de leider van de jongens. Hij is cool en gedraagt zich als kenner van het volle leven: te oud voor zijn leeftijdgenoten. Hij slaat andere kinderen. Zijn halfbroertje - zoon van een Nederlandse vader - wil tegen het einde van de week niet meer met hem in dezelfde tent slapen en ook andere jongens beklagen zich over zijn klappen. Hij doet het als er geen begeleiders in de buurt zijn, zeggen ze. Tulah ontkent. Zoals hij ook ontkent nog langer te blowen, nadat hij in het midden van de week is betrapt. Overdag gaat hij vaak wandelen in de bossen, meestal alleen, om een half uurtje later in opperbeste stemming en met een ontspannen gezicht terug te keren. Dan is hij weer kind onder de kinderen, net zo speels als zijn halfbroertje, die zich uren met een waterpistooltje kan vermaken.

Openbare knokpartij

De laatste avond, tijdens het kampvuur, is er een openbare knokpartij. Sunit, een van de Eritreeërs, wordt vol op het gezicht geraakt. Zijn mond is bebloed, hij wil revanche. Twee begeleiders houden hem tegen. Jos (13), zoon van een Rotterdamse kelner, ligt verderop in het gras. Met harde, trotse ogen vertelt hij dat hij erop heeft geslagen omdat "die kanker-bruine' zich met zijn zaken bemoeide. Dat moest-ie niet doen en dat wist-ie.

's Ochtends had Jos "verkering' gekregen met Lia. De relatie hield geen vier uur stand, volgens Jos omdat Annelies was gaan "stoken'. Hij had haar stevig uitgescholden, waarna Sunit tussenbeide kwam. Zo ga je niet met vrouwen om, vindt het slachtoffer van de knokpartij: ""Jongens moeten meisjes juist beschermen.'' Sindsdien wachtte Jos op zijn kans.

Na afloop van het kampvuur, achterin de Mercedes-bus waarmee de jongeren terug naar de camping gaan, buigt Sunit zich in een hoek over zijn vijand. Boven diens hoofd speelt hij met spuug uit zijn nog steeds bloedende mond. Nederlandse scheldwoorden ("klótzak') wisselt hij af met Afrikaans geprevel. Jos kijkt nu angstig, Sunit lacht malicieus. Morgen, zegt hij, als ze thuis zijn en de begeleiders hem niet meer tegenhouden, ""sla ik je rot, hè''.

De overige twintig kinderen reageren niet. Ze zijn moe, de week zit er nagenoeg op, ze vinden Jos een bluffer en Sunit een dom knokkertje. Ook de oudere broer van Sunit, die beter Nederlands spreekt en zich ook anderszins makkelijker onder de kampgangers beweegt, is ogenschijnlijk niet geïnteresseerd. Volgens hem vecht Sunit zoveel omdat hij, ondanks steeds nieuwe lessen, de taal niet goed onder de knie kan krijgen. ""Frustraties, weet je.''

Bruce Lee'tje of zo

Op de terugreis vertelt Anton, die de hele week ontspannen is geweest, dat hij bij thuiskomst eerst zijn zusje ""de tyfus gaat slaan'': vlak voor zijn vertrek heeft ze de batterijen uit zijn walkman heeft gejat. Daarna neemt hij een uitgebreid bad, vervolgens gaat hij op zijn kamer de series bekijken die hij deze week op zijn video heeft gezet. Misschien dat-ie daarna nog naar de videotheek gaat voor een vechtfilm, een ""Bruce Lee'tje of zo''.

""Ik ga samen met mijn ouders en mijn zus kijken'', zegt Mart, die altijd gesprekken afluistert.

Anton vertelt dat hij dat ook wel zou willen. Maar met de vriendin van zijn vader heeft hij de afspraak gemaakt dat hij alleen 's ochtends in de woonkamer komt. De vorige vriendin van zijn vader is door hem vertrokken, zegt hij. Hij maakte steeds ruzie met haar omdat-ie zijn moeder terug wilde, maar die is alcoholiste. ""En om nieuwe problemen te voorkomen doen we het zo. Ik 's ochtends de woonkamer, zij tweeën de rest van de dag.''

""Mooie boel'', zegt Mart.

""Jôh, je moet wat voor je ouders over hebben.''

Op het station rent hij naar zijn vader's vriendin en omhelst haar. De meeste kinderen begroeten hun ouders koeler. John wordt begroet met ""bolle'' en op zijn beurt scheldt hij tegen zijn pa zoals hij de hele week tegen iedereen heeft gescholden: ""Ha, kankerlul.''

Als alle kinderen al zijn vertrokken, wacht alleen Fred nog op zijn moeder. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier. Hij waagt er een telefoontje aan. Tijdens het indrukken van de toetsen zegt hij dat ze hem "vandaag' waarschijnlijk vergeten is.

* Om redenen van privacy zijn de namen gefingeerd.