WILD WEST IN YERSEKE

Elk vist op zijn tij. Een historisch-antropologische studie van een Zeeuwse maritieme gemeenschap, Yerseke 1870-1914 door Rob van Ginkel 143 blz., geïll., De Walburg Pers 1991, f 34,50 ISBN 906011 716 6

In het begin van de negentiende eeuw leverden de gebroeders Grimm een belangrijke bijdrage tot het ontstaan van een nieuwe visie op de Europese volkscultuur. In hun romantische opvatting werden boeren en vissers bij uitstek beschouwd als de dragers van traditie. Zij stonden dicht bij de natuur, waren simpel en ongeletterd, en dus onbedorven. De boeren en vissers handelden, zo dacht men, instinctief en irrationeel.

Schrijvers en schilders (denk aan de Haagse en Larense School) hebben er toe bijgedragen dat dit idee als een historische realiteit ingeburgerd raakte. Voor vissers en boeren in de meer afgelegen, perifere gebieden leek de tijd te hebben stilgestaan; zij hadden de gestaag doordenderende trein van de vooruitgang gemist.

De laatste jaren wordt dit historisch beeld aan een nadere beschouwing onderworpen. Daarbij blijkt dat plattelandsgebieden en vissersplaatsen helemaal niet zo statisch waren als altijd werd gedacht. Wat betreft de vissers blijkt dit althans uit de onlangs in boekvorm uitgegeven doctoraalscriptie van de cultureel-antropoloog Rob van Ginkel, Elk vist op zijn tij. Uit deze studie blijkt dat het door de oesterteelt bekend geworden Yerseke als vissersplaats een tamelijk recente verschijning is, en dat zich er binnen een kort tijdsbestek grote veranderingen konden voltrekken, met vèrstrekkende gevolgen voor de lokale samenleving.

OESTERBARONNEN

Rond 1860 vond het grootste deel van de bijna duizend inwoners van Yerseke en het naburige gehucht Yersekedam op Zuid-Beveland nog een bestaan in de landbouw. Ongeveer dertig mannen hielden zich bezig met de visserij op schelpdieren en een enkeling was veerman of beurtschipper. De gemeente lag tamelijk geïsoleerd, en de lokale bevolking was weinig welvarend; een groot gedeelte ervan moest tijdelijk of permanent leven van de bedeling. In nog geen dertig jaar was de situatie geheel veranderd. Het dorp groeide tot bijna vierduizend inwoners, en er waren talrijke nieuwe straten aangelegd en woningen gebouwd, waardoor dorpskern en gehucht met elkaar vergroeid waren geraakt.

Deze veranderingen hadden alles te maken met een drastische omwenteling in het soort bedrijvigheid waarmee de dorpelingen in hun bestaan voorzagen. Na de ontdekking dat oesters, waarnaar in gegoede kringen veel vraag was, in de Oosterschelde uitstekend gedijden, ging Yerseke zich in de loop van de jaren zestig geleidelijk op de oesterteelt richten. Het echte keerpunt in de ontwikkelingsgang van het dorp kwam echter met de openbare verpachting van visgronden in 1870. Op verzoek van jonkheer Pompe van Meerdervoort en baron Groeninx van Zoelen onttrok de overheid een gedeelte van de Yerse Bank aan de publieke visserij, verkavelde het in percelen, en via openbare verpachting kreeg de meestbiedende het exclusief gebruik over dit deel van de Oosterschelde. Omdat aanvankelijk voor de meeste namen van grote pachters een adellijke titel prijkte, kregen de ondernemers al snel de naam "oesterbaronnen'. Zij bezaten het kapitaal en de kennis om grootschalig de oestercultuur te gaan beoefenen. Het kapitaal werd - behalve in de pacht van de visgronden - geïnvesteerd in schepen, loodsen, binnendijkse putten en in duizenden dakpannen. Aan de gekalkte dakpannen (de zogeheten "collecteurs') kon het oesterbroed zich hechten. Tijdens de warmste zomermaanden, wanneer de oesters zich reproduceerden, werden deze op bij eb droogvallende plaatsen in het water gebracht. Met behulp van deze collecteurs werd een grote hoeveelheid oesterbroed, dat anders na verloop van tijd met de ebstroom naar zee zou verdwijnen, opgevangen. Het neerleggen van de pannen en het later weer inzamelen van de pannen met oesterbroed was het werk van de zogenaamde "pannenleggers' of "pannenboeren', die meestal voor eigen rekening werkten. Zij verkochten het oesterbroed dan weer aan de eigenlijke kwekers.

Toen duidelijk werd dat er in deze bedrijfstak behoorlijke winsten konden worden behaald, ging iedereen in het dorp en omstreken die wat spaargeld had, dáárin investeren. Allen, zelfs de gewone dagloner en de landarbeider, zo schreef een oesterkweker, proberen ""om ook een druppel op te vangen van den gulden regen, die in den vorm van oesterbroed langs de oevers van de Schelde nederdaalt''.

WINNAARS

De produktie steeg van een miljoen consumptie-oesters vóór 1870 tot ongeveer vijfendertig miljoen in 1878. Bedroeg de prijs in 1875 nog vijfenveertig gulden per duizend oesters, in het voorjaar van 1877 was dit al tachtig gulden. Men schertste dat de Yersekenaren zo welvarend waren dat ze pijpen met vijf koppen rookten - dat in een tijd waarin de landbouw en andere takken van nijverheid zware klappen kregen te verduren.

Toen in 1882 de meeste percelen van de Yerse Bank werden herverpacht, overtrof het aantal belangstellenden het aanbod van percelen aanzienlijk. Er werden dan ook recordbedragen geboden: bracht een hectare zeebodem in 1870 ongeveer zeven gulden op, in 1882 was dit gemiddeld honderdtien gulden.

Deze opdrijving van de pachtsommen werd voor een deel ingegeven door de hoge oesterprijzen van dat moment, maar werd tevens veroorzaakt door de tomeloze onderlinge concurrentie. ""De tijden van de dwaze tulpenhandel schenen te herleven. Op de publieke verpachting dacht men alleen aan bieden, het bedrag kwam er minder op aan, als men de percelen maar machtig kon worden. Daarom bood men tegen elkaar op alsof er alles te winnen en niets te verliezen was,'' aldus een door Van Ginkel aangehaalde tijdgenoot.

VERLIEZERS

Vanaf het moment dat de pachters hun percelen konden gaan benutten, zouden ze echter nagenoeg allen verliezers worden. Schuld daaraan hadden de grote ondernemers, die zich hadden voorgenomen de in oesterbroed handelende pannenboeren van de markt te verdrijven. Daarom brachten de grote oesterkwekers en -maatschappijen in 1885 zèlf enorme hoeveelheden dakpannen in het water; in de hele Oosterschelde werden er dertig miljoen uitgezet. De opzet op deze manier de pannenleggers het brood uit de mond te stoten, lukte, want door het torenhoge aanbod van pannen stortten de prijzen van het aan de pannen gehechte oesterbroed in.

Een onbedoeld gevolg van de onbezonnen ingreep van de oesterbaronnen was dat ze zichzelf flink in de vingers sneden. Zij beschikten nu immers over zoveel zaaioesters dat er enige tijd daarna wel een hausse in het aanbod van consumptie-oesters moest volgen. Bij een verzadigde markt betekent dit een daling van de prijzen. Door de hoge investeringen moesten de kwekers dumpen om het hoofd boven water te houden. Dit leidde tot een prijsval: van boven de tachtig gulden in 1882 tot minder dan veertig gulden per duizend oesters in 1889. Tegen de achtergrond van de hooggespannen verwachtingen bij de herverpachting in 1882 was dit een regelrechte ramp.

Bij deze ernstige misrekening zou het niet blijven. Andere tegenslagen, zoals de sterk wisselende kwaliteit van de oesterproduktie door natuurlijke oorzaken, zorgden ervoor dat de euforie van de beginjaren snel verdween. Toch liep het bevolkings tal van Yerseke niet dramatisch terug. Weliswaar verlieten de meest berooiden het dorp weer - enkele honderden teleurgestelde vissers vestigden zich in West Sayville aan de oostkust van de Verenigde Staten - maar hun plaatsen werden ingenomen door wanhopige gelukzoekers die elders in Zeeland door de crisis in de landbouw hun bestaan hadden verloren.

LOSBANDIGHEID

De sterke kant van het boek van Rob van Ginkel is, dat hij dit economische transformatieproces van opkomst-bloei-neergang van een deel van een bedrijfstak vanuit een ander perspectief bekijkt dan in de geschiedschrijving doorgaans gebruikelijk is. Hij benadert de gebeurtenissen, ontwikkelingen en verschijnselen vanuit een antropologische invalshoek. Bij deze benadering staat niet de economische ontwikkeling centraal, maar is deze slechts het decor waartegen andere zaken afgezet worden. Van Ginkel wil nagaan wat de gevolgen voor de dorpssamenleving waren van de invoering van exclusieve toegangsrechten tot grote delen van de Zeeuwse stromen.

De Yersekenaren bleken in hun gedrag niet altijd het romantische ideaalbeeld te belichamen van "onbedorven' vissers die in een "ongerepte' omgeving leefden. De tijdelijke bloei van de oestercultuur had een invasie van nieuwkomers tot gevolg. Het gemis aan cohesie binnen de nieuwe gemeenschap leidde tot weinig sociale controle met alle gevolgen daarvan voor de openbare orde. Dronkenschap, vechtpartijen, diefstal en brandstichting waren aan de orde van de dag en er zou zelfs sprake zijn geweest van moord en doodslag. Ook in zedelijk opzicht leek Yerseke, althans in de ogen van de orthodoxe calvinisten, een tweede Sodom en Gomorra te worden. In 1865 constateerde de plaatselijke arts nog slechts drie gevallen van geslachtsziekten, in een jaar aan het einde van de eeuw waren dat er niet minder dan 167.

Als verklaring voor deze "losbandigheid' voert Van Ginkel aan dat een en ander bezien moet worden vanuit de onvervulde aspiraties van de Yersekenaren. Velen kwamen naar het dorp om er goud te verdienen, maar de hoop er een riant bestaan te kunnen opbouwen, bleef voor menigeen een droom. De frustratie die daarvan het gevolg was, vond een uitweg in opstandig gedrag.

Pas tegen het einde van de eeuw zwakte de "losbandigheid' wat af. De kerkeraden begonnen een beschavingsoffensief, waarbij ze huisbezoeken aflegden en tractaatjes verspreidden om zo te proberen hun opstandige mededorpelingen weer op het "goede spoor' te brengen. De kerken bezaten bovendien in de vorm van hun armenkassen een probaat middel om het onvermogende deel van de lidmaten en doopleden in het gareel te houden. Het gemeentebestuur ging streng toezien op de handhaving van orde en gezag. Voor de kleinste vergrijpen werden dorpelingen beboet of opgepakt. De rechter legde veelal forse straffen op. Zo werden twee mannen die heilsoldaten lastig hadden gevallen, tot respectievelijk vier en acht maanden gevangenisstraf veroordeeld. In 1890 kregen zesenveertig aangeklaagden, die het verbod op samenscholing hadden genegeerd, vijf tot dertig dagen hechtenis. De offensieven sorteerden effect: de dorpssamenleving werd minder roerig. De Yersekenaren hielden hun driften en frustraties voortaan beter in toom, waaraan naast het strenge overheidsoptreden overigens ook de langzamerhand toegenomen sociale controle niet vreemd was.

Yerseke is dus niet - zoals door velen verondersteld - al eeuwenlang het gezapige en rustige vissersplaats-je geweest, bewoond door noeste, hardwerkende vissers met een hoge morele en zedelijke standaard en bovendien streng in de rechte leer. Deze mythe is door Van Ginkel op treffende wijze ontkracht.