Tot er recht wordt gedaan

Ze scheelden elf jaar. Anneke was toen het gebeurde éénendertig, Wim tweeënveertig. Ze waren zeven jaar samen.

Ze woonden in de Schilderswijk en moesten hun huis uit voor de stadsvernieuwing. Vervangende woonruimte was beschikbaar, maar ze hadden niet zo'n trek in een doorzonwoning ergens in een buitenwijk. Bovendien waren ze nogal dik met de bovenburen, ze wilden met z'n viertjes bij elkaar blijven. Zo bleven ze als laatsten in de straat over. Sinister was dat, maar niet slecht voor de saamhorigheid.

Uiteindelijk vonden ze een pand aan het Prinsevinkenpark, een van de mooiste plekjes van Den Haag. Om de koop te regelen werd een woonvereniging opgericht, compleet met statuten en dat soort dingen. Wim hamerde steeds op goeie afspraken en dan zei Fred: ach jôh, we zijn toch vrienden.

Nu had in dat pand een kantoor gezeten en daarna was het gekraakt geweest, er moest heel wat gebeuren. Ze kwamen tot een taakverdeling: Wim zijn geld tegen Fred zijn handigheid. Maar in de praktijk liep dat spaak.

Fred trok zich terug op zichzelf en zij, zegt Anneke, waren aangewezen op klusjesmannen, waarbij ze bovendien aldoor afhankelijk waren van het ja of nee van Fred, want die was er al gaan wonen, op de benedenverdieping. Dus hun verbouwing raakte in het slop. Dit duurde bij elkaar een jaar of vijf.

Wim zag een ideaal mislukken en dat deed hem pijn. Hij was niet makkelijk, niet voor zichzelf, niet voor anderen. Had je het bij Wim bedorven, dan kwam het nooit meer goed. Hij was een man van uitersten, hij kon niet schipperen; had-ie dat wel gekund, dan had-ie waarschijnlijk nog geleefd.

Dus: Fred zat met zijn vriendin in dat huis en ze hadden al een kind ook, maar dat, zegt Anneke, wisten ze niet eens. Zij zaten in een soort kippenhok in de buurt van de Haagse markt. Wel hadden ze aan het Prinsevinkenpark hun postadres.

Op 19 november 1988 gingen ze de post halen, een zaterdagavond, ze waren eerst naar de kroeg geweest. Wim ging naar binnen, Anneke bleef in de auto zitten. Na een minuut of wat dacht ze: wat duurt dat lang. Ze stapte uit en liep naar de voordeur. Op dat moment kwam Fred naar buiten stormen: ""De politie moet gebeld worden! Kijk eens wat hij gedaan heeft!'' Zijn bloes was gescheurd.

In de gang vond ze de scherven van Wims bril. Min elf had hij ongeveer. Die zag niks zonder bril. Die heeft er nooit erg in gehad dat Fred een broodmes greep. Twee steken in de borst. Longslagader.

Wim lag in de keuken en ze wist meteen dat hij dood was. Haar eerste ingeving: dit moet iedereen weten! Al veel te veel was binnenskamers gebleven. Nu had ze getuigen nodig. Ze rende naar buiten en klampte een voorbijganger aan. De man weigerde wijselijk mee naar binnen te gaan.

Toen weer de keuken in en janken, janken. Fred probeerde haar te troosten, maar ze duwde hem van zich af, was hij nou helemaal gek geworden!

Daarna, zegt Anneke, gebeurden er dingen die niet erg bevorderlijk zijn voor je rechtsgevoel. Het hele systeem houdt zich bezig met de dader. Had Wim het overleefd, dan was hij tenminste nog partij geweest. Maar Wim was dood. De staat neemt de rol van Wim over, maar de staat weet gewoon niet wie Wim is, de staat weet niks van de achtergronden. Natuurlijk, het was een rotzooitje, een modderachtige brij van conflicten en narigheid. Daar kunnen juristen niet mee uit de voeten. Zij richten zich op de technische kant: moord, doodslag, noodweer - de kant van Fred!

Kijk, Wim heeft met de deur geslagen, die wou laten merken: het is ook mijn deur, mijn huis. Wim wist niet dat er een kindje was. En zo is het tot dat handgemeen gekomen.

Ze heeft, zegt ze, moeten bidden en smeken om een onderhoud met de officier van justitie. Steeds werd ze doorverwezen naar Slachtofferhulp. Ook daar ben je een nummer, een zaak. Naar je verhaal vraagt niemand. Uiteindelijk krijg je dan toch de officier te spreken, er wordt voor het arme wijffie van het slachtoffer een uur uitgetrokken, uit beleefdheid.

Wanneer komt de zaak voor? In april? Wachten tot april. Dan: het kan wel juli worden. Dan: het kan wel november worden. Als je er niet zelf achterheen zit, hoor je niks. En al die tijd zit je te wachten tot er recht wordt gedaan.

Dan eindelijk de zitting. Je bent beledigde partij, je kunt een schadevergoeding eisen van maximaal ƒ 1500,- maar daar gaat het niet om, het gaat er om dat je zo in dezelfde procedure gehoord moet worden. Je komt op een bankje te zitten en de rechter torent huizenhoog boven je uit, van enige gelijkwaardigheid is geen sprake; alles wat niet ter zake doet, wordt onmiddellijk afgekapt.

Anneke: ""Geen moment ben ik partij geweest in die zaak. Je ondergaat een gevoel van machteloosheid waarvan je compleet krankzinnig wordt. Het is een soort wals die doorgaat en doorgaat.''

Voor haar was het moord, voor de rechtbank was het doodslag: één jaar voorwaardelijk.

Ja, Wim had nogal wat alcohol in zijn bloed. Hij kon nogal agressief overkomen. Hij was nogal potig en als-ie boos was, dan was-ie ook goed boos. Hij heeft in die paar minuten daarbinnen ook behoorlijk huisgehouden. Fred was bang van hem. Dat neemt niet weg, dat Wims kant op z'n minst gehóórd had moeten worden.

Anneke: ""Iemand heeft wel degelijk bewust mijn vriend doodgestoken. Als daar niets tegenover staat, sta ik in de kou. Je gaat dan meer van die uitspraken napluizen en ondekt rare inconsequenties in de strafmaat. Voor dit soort dingen wordt heel weinig gegeven en dat zie ik niet als een grote maatschappelijke verworvenheid.''

Maar het belangrijkste is dit: de houding van justitie dat strafrecht iets is voor deskundigen, iets dat gewone mensen niet aangaat, en zeker direct betrokkenen niet.

Ze werkt nu als drukwerkadviseur. Ze volgt een part-time opleiding voor de journalistiek, want eens zal het hele verhaal verteld worden, door haarzelf. Ze is nogal cynisch geworden, vertrouwt mensen pas als daar een reden voor is.

Er is iets gebeurd in je leven. Je kunt er niets aan doen, maar je kunt je er ook niet bij neerleggen. Praten helpt niet, zwijgen evenmin. Er is iets gebeurd en het gevolg is eenzaamheid.