Prof. dr. L. M. de Rijk over Senaat en wijsbegeerte; "Het helpt in de politiek om katholiek te zijn'

De filosoof prof.dr. L. M. de Rijk (66) was bijna 35 jaar lid van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer toen hij in juni aftrad. In 1961 trad hij voor een periode van drie jaar terug, maar alleen omdat kardinaal Alfrink hem anders niet tot hoogleraar wijsbegeerte in Nijmegen wilde benoemen. Het verhaal van een katholieke PvdA'er die Eerste-Kamerlid werd onder Drees-III en vertrok onder Lubbers-III. Over het seminarie, de oorlog, het Mandement en de democratie.

De Rijk springt enthousiast uit zijn stoel. De opmerking dat het databestand van de Kamer bij "de Rijk' ook tienduizenden verwijzingen naar "het Rijk' opgaf, voert hem meteen terug naar de jaren dertig, naar het Seminarie. Na de ochtendgymnastiek om kwart over vijf volgde daar Meditatie. Pater rector maakte meteen van de gelegenheid gebruik om de zondaren met naam en toenaam te berispen. Wie genoemd werd moest opstaan en een deemoedig buiginkje maken. ""Ik moest heel vaak buigen, want ik had altijd wel wat gedaan. Een keer overkwam me dat ik ook opstond en boog toen "het Rijk van het Heilig Hart van Jezus' werd genoemd''. Hij doet voor hoe hij door zijn kameraden weer in de bank werd getrokken.

Toen De Rijk in 1984 25 jaar lid van de Eerste Kamer was, prees premier Lubbers zijn eruditie, humor, ""fundamentele blijmoedigheid'', gevoel voor verhoudingen en strijdbaarheid. De Rijks spitsvondigheden zijn legendarisch, evenals zijn vermogen tot spot en zelfspot. In zijn antwoord aan de premier zei hij toen: ""Vandaag ben ik 25 jaar lang... geen bewindsman. Dat weet toch iedereen? Maar wat niemand weet, wat niemand kan vermoeden - sterker nog, het zal ze verbijsteren wanneer ik het ze zeg - is: ik ben ook nooit gevraagd, nooit als minister, nooit als staatssecretaris. Toen ik lid werd van deze Kamer, bestonden er niet eens staatssecretarissen. Ik weet nog dat zij werden uitgevonden. Toen dacht ik nog...''

Het spijt hem achteraf wel een beetje dat hij nooit is gevraagd ""want dan had ik plechtstatig kunnen weigeren''. Politiek was bijzaak. De Rijk heeft een internationale reputatie op zijn vakgebied, de antieke wijsbegeerte, meer in het bijzonder de logica. Hij werd geboren in Hilversum en ging als 11-jarige naar de patersschool in Amersfoort. Hij studeerde tijdens de oorlog filosofie aan het groot Seminarie in Driebergen en daarna klassieke talen in Utrecht, waar hij promoveerde op Aristoteles. De Rijk was een briljant student: aan de universiteit moest hij tentamen doen over een wetenschappelijk artikel dat hij als Seminarie-student zelf had geschreven. Het behandelde Zeno, Aristoteles en Leibniz.

De Rijk was leraar Latijn en Grieks op een nonnenschool in Amersfoort toen hij op z'n 31ste lid van de Eerste Kamer werd. Het was er enorm deftig: Kamervoorzitter mr J. A. Jonkman (PvdA) sprak tijdens fractievergaderingen over zichzelf in de derde persoon, net als Julius Caesar. Op z'n 37ste werd De Rijk benoemd tot hoogleraar wijsbegeerte in Nijmegen. In 1969 werd hij dat in Leiden. In Utrecht was hij bijzonder hoogleraar wijsbegeerte. Na zijn emeritaat is hij in het zuidelijkste puntje van Limburg gaan wonen, in de buurt van Margraten. De universiteit in Maastricht benoemde hem prompt tot "honorair hoogleraar'.

Op de schoorsteenmantel staat een foto van zijn vader, die in 1959 overleed. ""Zijn overlijden heeft me jarenlang van mijn stuk gebracht.'' De Rijk beschrijft hem als een stille, scherpzinnige man, die zeer kritisch kon zijn. Een nuchtere katholiek van liberale snit die goed kon relativeren. Het verbod om op vrijdag vlees te eten schond hij, als het zo uitkwam, zonder pardon. ""Onzin!, riep mijn vader, dat bewaren we niet tot zaterdag. Mijn moeder zei dan - jongens, jullie vertellen het niet buiten de deur, hoor.''

Van zijn vader leerde De Rijk soepelheid van denken: een afkeer van dogma's en hypocrisie. ""Hij had een enorme hekel aan wat onecht was. Om dat onderuit te halen vond-ie heerlijk!''. Zijn moeder noemt hij extravert. ""Mijn moeder en ik verstonden de kunst om alles wat we hadden zo neer te zetten dat het mooi uitkwam. Als 8-jarig jongetje heb ik ooit geschitterd in een toneelstuk. Mijn vader zei: ja, dat jochie weet zich wel te etaleren, maar in de winkel staat dan ook verder niets meer. Schitterend! Precies raak. Het was heel hard, maar zo voelde ik het niet. Het was vol genegenheid''.

Paus

Op 7-jarige leeftijd wist Lambert Marie de Rijk al met absolute zekerheid dat hij priester wilde worden. Of, liever nog, Paus, ""zoals alle Roomse jongetjes''. Zijn moeder toonde hem later nog een fotootje waarop hij als 5-jarige met potlood bij zichzelf een Kruis had gezet. ""Dat hebben we als goud bewaard.''

Maar toen hij het Klein-Seminarie had voltooid en een jaar op het Groot-Seminarie had gezeten, werd hem te verstaan gegeven dat hij beter geen priester kon worden. ""Ze vonden me te weinig religieus. Je moest urenlang kunnen mediteren over een of ander mysterie. Om me heen deden ze dat ook. Maar ik had het na een kwartier wel bekeken. Wat mystiek betreft heb ik geen enkele diepgang.'' Gelovig was hij wel ""maar daar zit ook een hoop routine in''. Op het klein-seminarie had hij de studie van de filosofie ontdekt. ""Dat is het fijnste wat er is. Ik heb tegen mijn vrouw gezegd: als ik ga dementeren moet je dat pas tegen me zeggen als het toch niet meer tot me doordringt. Je laat me rustig wetenschappelijke artikelen schrijven. Als ze klaar zijn zeg je: ik breng ze even op de bus. Naast de brievenbus staat een prullenbak - daar moet je ze in gooien. Als ik niet meer kan studeren is het afgelopen met me.''

In 1944 werd het seminarie gevorderd door de bezetter. De Rijk dook onder in de Achterhoek. In de periode '40-'45 heeft hij naar eigen zeggen ""zowat niks meegemaakt''. Net als ieder ander heeft hij ""onder de druk geleefd'' en wat ""schriksituaties'' meegemaakt. Op zijn netvlies staat 21 juli 1943 gegrift - de dag dat hij staatsexamen moest doen. Wachtend in Hilversum op de trein naar Amersfoort ziet hij dan hoe de Duitsers op het andere perron een van zijn broers de trein induwen, naar de Arbeitseinsatz. Of die middag in de serre met moeder, terwijl zijn andere broer huiswerk maakt. ""Hij lachte opeens heel hard. De serre lag aan de straat - op hetzelfde moment komt een Duitse officier voorbij. Die hoort dat en meent dat hij wordt uitgelachen. Mijn moeder ziet uit een ooghoek hoe die Duitser naar binnenkijkt en zegt met grote tegenwoordigheid van geest tegen mijn broer: dóórlachen, niet opkijken en verder schrijven. Die officier aarzelt en loopt verder.'' Dan was er het incident met de bekende die voor zijn huis pardoes door de Duitsers werd doodgeschoten. ""En het was nog een verwisseling ook. Zijn broer was bij het verzet. Hij niet.''

Uiteindelijk kreeg hij toch een tik mee. Een jaar of tien geleden keerden de herinneringen terug. ""Ik kon niet slapen, of ik kreeg dromen. Ik was helemaal niet in orde. Terwijl ik mezelf altijd als een nuchterling had beschouwd. Dat maakte grote indruk op me. Hoewel ik zelf zowat niks had meegemaakt, had ik in lichte mate hetzelfde waarvoor in het Centrum 40-45 mensen worden opgenomen. Dat had ik daarvoor altijd maar slap gevonden.''

Spotten geleerd

Het Seminarie verliet hij met spijt. In filosofie was hij verreweg de beste van zijn jaar. ""Ik heb geen enkele rancune. Het was er keihard, maar we konden erom lachen. Die strengheid omzeilden we gewoon. Spotten heb ik er geleerd, met heilige of quasi-heilige zaken. Dat is het voordeel van Rooms zijn - regels zijn mooi, maar het gaat om de bedoeling. Nadeel is natuurlijk dat je weinig van ons op aan kunt. Dat ontken ik niet.''

Toen in 1962 studenten bij hem klaagden over de enorme studielast probeerde hij ze uit te leggen hoe het leven in elkaar zit. Tevergeefs. De studenten vonden het een onmogelijke opgave om alle 48 boeken Homerus te lezen voordat ze tentamen Grieks mochten doen. ""Dat was een openbaring voor me. Ik was ontdaan. Wat een onzin! Wie doet dat nu, alle 48 boeken ook werkelijk bestuderen. Als de prof bij de aanvang vraagt "U hebt ze alle 48 gelezen?', zeg je "ja'. Wie is er nou zo gek om nee te zeggen. Maar dat was het kenmerk van de jaren zestig. Die studenten vonden het immoreel om ja te zeggen, als het nee was. De regel moest dan anders. Ik heb ze vruchteloos geprobeerd uit te leggen dat die prof wist dat er geen student bestaat die ooit die 48 boeken echt gelezen heeft. Het was een spel, een code. Als je aarzelde zei de man "wellicht is de lectuur wat lang geleden' en dan kreeg je een voldoende, omdat de man wist dat je toch een goeie student was. Nou weet ik wel, een stap verder en je bent een huichelaar. Maar het is ook levenskunst als je aan die kant van de streep kunt staan. Vroeger konden we daar nog om lachen.''

Het spel, daar draait het om bij De Rijk. Vol vuur vertelt hij hoe hij als student een hoogleraar beet nam. Bij het doctoraal-examen moest een vrij opstel in het Latijn worden geschreven. De Rijk gebruikte daarin "cursus vitae' in plaats van curriculum vitae. Zoals gehoopt werd hij berispt om ""deze onnozelheid'' in het overigens foutloze proza. ""Maar ik wist uit het woordenboek dat cursus vitae bij Cicero voorkomt, en dat zei ik ook. De man slaat het na; op het moment dat hij het leest begrijpt hij dat ik 'm te grazen had. Hij heeft me jaren later trouwens geniaal teruggepakt. Als jong hoogleraar loop ik voor het eerst de zitruimte voor professoren binnen. Hij ziet me, loopt direct op me af en roept "Dag Collega, Hoe maakt U het?'. Tot de dag van vandaag weet ik niet wat ik had moeten antwoorden. Een echte collega was ik nog lang niet, maar ik kon ook niet doen alsof ik het niet was.'' Het was de tijd dat de studenten gingen staan als de prof binnenkwam en pas na een minzaam handgebaar plaatsnamen - doodstil werden er aantekeningen gemaakt. Pas tegen het eind van de jaren zestig begon De Rijk weer wat te herkennen. Er ontstond geroezemoes tijdens college, er werd soms geklierd en niet altijd meer opgelet. ""Net het seminarie!''

Mandement

In 1954 werd hij lid van de PvdA, uit boosheid over het Mandement. Hij vond het bisschoppelijk verbod voor katholieken om lid van de Vara, het NVV en de PvdA te zijn ""onwerkelijk, te gek om los te lopen. Ik was jong en stond een vrijer katholicisme voor. Gelukkig had mijn vader theoretisch begrip voor mijn standpunt, maar hij maakte de zwaai niet mee.''

De Rijk schreef artikelen tegen het Mandement en maakte zo de partijtop op zich opmerkzaam. Toen in 1956 de Senaat uitgebreid werd van 50 naar 75 leden werd hij gevraagd. ""Er was nog centrale kandidaatstelling - dat zou me nu nooit meer zijn gelukt''. De PvdA had een katholiek nodig die de KVP te lijf kon. Een katholiek die op theologische en filosofische gronden het Mandement kon aanvallen en de humanistische verzorging in het leger verdedigde. ""Schitterend om dat met mijn achtergrond te mogen doen. Het helpt overigens om katholiek te zijn als je in de politiek zit, hoewel ik begrijp dat ik met deze opmerking voor de afgrond sta. Het speelse, het soepele, dat krijg je in een katholieke omgeving mee. Kijk naar Lubbers: opgeleid bij de Jezuïeten. Dat herken ik''.

Katholieken in de PvdA waren in die periode een zeldzaamheid. ""We waren de lievelingen van de partij''. Maar culturele verschillen bleven er. ""Als er vergaderingen of congressen op vrijdag waren, lette nota bene de partij er op dat wij geen vlees aten. Nadrukkelijk werden we in de gelegenheid gesteld te bidden voor het eten. Daar zat een element van promotie in. Als wij lieten merken dat katholieken op reis de voorschriften lang zo streng niet in acht nemen, werd dat heel vreemd gevonden. Dat moesten we eigenlijk liever niet zeggen''. Om PvdA'er te zijn in de katholieke kerk was in theorie minder makkelijk. ""Maar voor mij gold hetzelfde als met de oorlog - ik heb er nauwelijks wat van gemerkt.'' Of het moest zijn dat de parochie naar De Rijk de pastoor op huisbezoek stuurde en bij de rest van de buurt volstond met de kapelaan. Van de nonnenschool kreeg hij zonder problemen één roostervrije dag per week om naar Den Haag te reizen.

In 1961 verliet hij met tegenzin de Eerste Kamer. Katholiek Nederland wilde naar het voorbeeld van Leuven in Nijmegen een leerstoel wijsbegeerte waar Thomas van Aquino bestudeerd zou worden. De Rijk had niet gesolliciteerd. ""Dat bestond toen niet. Je werd niet eens gepolst. Je hoorde gewoon dat je in de running was.'' Maar de selectiecommissie was verdeeld. ""Ze hoorden steeds weer dat ik de beste was in Nederland. En de slechtste, want de enige, zeg ik er dan altijd bij.'' Maar om nu een socialist te benoemen in de katholieke wijsbegeerte?

Uiteindelijk werd De Rijk bij kardinaal Alfrink ontboden. Deze zei op afkeurende toon niet te begrijpen waarom De Rijk politiek actief wilde zijn. ""Waarom laat U dat niet terzijde?'' De Rijk gaf een karakteristiek antwoord: ""Dat zou een belediging van de bisschoppen zijn. U heeft er zich met het Mandement zo druk over gemaakt, dus het kan niet anders of politiek is buitengewoon belangrijk.'' De Rijk kon kiezen: hij mocht hoogleraar worden, mits hij het Kamerlidmaatschap opgaf. Hij mocht wel lid van de PvdA blijven. De buitenwereld zou verteld worden dat hij aftrad omdat het oprichten van een nieuw instituut te veel tijd vergt. ""Dat wilde ik dus niet. Daar zou ik me voor schamen. Gelukkig werd ik gered door het partijbureau. Die zeiden dat ik belangrijker was voor de partij aan de katholieke universiteit dan in de Kamer, waar ik best vervangen kon worden''. Maar toen in 1964 een fractiegenoot de Kamer verliet, werd De Rijk automatisch herkozen. Hij accepteerde en schreef de bisschoppen, die in Rome het Tweede Vaticaans Concilie bijwoonden, dat het instituut op orde was en hij weer tijd vrij kon maken. ""Ik heb nooit antwoord gekregen. Gek, hè?!''

Grensverkennend optreden

Ook als politicus-in-deeltijd staat bij De Rijk het spel voorop. In de rede die hij vorig jaar hield bij het 175-jarig bestaan van de Eerste Kamer bepleitte hij "democratische courage'. ""Dat betekent kijken hoe ver je met je mening kunt gaan. Democratie is grensverkennend optreden - de tegenstander moet er zijn gewicht maar tegenover stellen en er voor zorgen dat het niet grensverleggend wordt.'' Als enige inhoudelijke maatstaf hanteerde De Rijk de vraag ""of de burger weet waar hij aan toe is. Bestaanszekerheid en rechtszekerheid, dat zijn de essentiële randvoorwaarden''. Het is een typisch Griekse opvatting van democratie, waarin uitbanning van het ongewisse en arbitraire voorop stond. In zijn jubileum-rede noemde De Rijk de ""ingeboren afkeer bij de Grieken van het onberekenbare, het niet-inzichtelijke, de motor van alle ontwikkeling''. De mens die niet weet waar hij aan toe is, ""is op zijn zwakst.'' Zelfs de Atheense wetgever Draco, aan wie de term draconisch herinnert, heeft een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de rechtszekerheid geleverd.

De Senaat heeft een hele beperkte rol, meent hij. Democratie is vooral een kwestie van delegeren: controle door de Eerste Kamer is niet meer dan marginale toetsing, zij het op essentiële punten. Maar een inhoudelijke politieke afweging? Nauwelijks. ""Bij de stemming heb ik me vaak afgevraagd - als de PvdA nu in de regering zou zitten, zouden wij dan iets totaal anders doen? Heel vaak was dat niet het geval en dan stemde ik rustig mee met de regeringspartijen. Toen we in '89 in de regering kwamen kon ik met de armen over elkaar terugkijken.''

Sociaal-democratie voor De Rijk is ""ervoor zorgen dat de mensen weten waar ze aan toe zijn, ook als het om negatieve keuzes gaat. Dat mensen onafhankelijk kunnen zijn, dat mensen kunnen begrijpen wat er gebeurt.'' Vaak is dat niet meer het geval; de politiek heeft zelfdragende constructies ingevoerd, waarvan de raison niet meer is te achterhalen. Alleen de parlementaire specialist kan het nog uitleggen. Maar die doet De Rijk dan al gauw denken aan de man die met een ouderloos meisje trouwt en ""in volle ernst spreekt over mijn aanstaande schoonouders zaliger. Het klopt precies, maar het slaat op niets''. Het sociale zekerheidsstelsel is een voorbeeld. ""Stel je voor dat bij iedere glazenwasser onderaan de ladder een vangnet wordt gespannen. De man wijst dan toch op z'n voorhoofd? Dat is er gebeurd met de sociale zekerheid: het is een permanente verbetering van ieders persoonlijke omstandigheden geworden. Een structuur die je voortdurend attent maakt op de mogelijkheden, op de "rechten' die er zijn.''

Dergelijke inzichten, ook over bijvoorbeeld de WAO waren volgens hem al jaren geleden in de PvdA voorhanden. ""Een van de grootste fouten die een politicus kan maken is zijn tijd vooruit zijn. Een staatsman mag dat; die drijft het wel door. Maar een politicus organiseert zo zijn eigen oppositie. Het is de kunst van de politicus om pas met iets nieuws te komen als hij het al maandenlang heeft opgesnoven in de samenleving. Als het niet leeft onder de mensen en je komt er toch mee dan krijg je geen gelijk, ook al heb je het wel. Dat moet je dan maar in een boekje doen. Daarom is de wetenschap ook veel leuker dan de politiek.''