Nationale Ballet wil verhoging subsidie

AMSTERDAM, 24 AUG. Wil het Nationale Ballet zich met recht een gezelschap blijven noemen dat uniek in modern en klassiek is, dan zullen de subsidiënten (de gemeente Amsterdam en het ministerie van WVC) hun jaarlijkse subsidie gezamenlijk met twee miljoen gulden moeten verhogen. Dit staat in de beleidsnota en meerjarenbegroting "Het Nationale Ballet danst niet voor niets in het Muziektheater', die is opgesteld door de nieuw artistiek leider Wayne Eagling en de adjunct zakelijk leider van het ballet Dick Hendriks.

Naast het oplossen van een structureel tekort op de begroting van één miljoen gulden heeft het gezelschap nog eens een miljoen nodig om het voorgenomen beleid uit voeren. Verder is er voor het optrekken van de salarissen van de dansers naar een “voor Nederlandse begrippen aanvaardbaar en voor de internationale markt concurrerend niveau” nog eens twee miljoen gulden nodig, zo staat in het plan. Door het te lage niveau van de dansers nu verliest het Nationale Ballet steeds vaker de slag op de internationale dansersmarkt. Het Nationale Ballet ontvangt nu jaarlijks 14,5 miljoen gulden subsidie.

“De overheden verlangen van ons een grote variëteit in het repertoire, een substantiële publiekserkenning en een internationale positionering. Verlangens waar wij hard aan werken. En met succes. Het bereiken van die doelstelling vergt investering van tijd, energie en geld,” zo schrijven Eagling en Hendriks. Ze zeggen daarbij zich ervan bewust te zijn, dat bij de economische situatie in Nederland de verhoging van subsidies niet voor de hand ligt.

Het geld is onder meer nodig om de buitenlandse presentaties op het niveau van vóór 1986 te brengen. Toen startte het gezelschap de optredens in het Muziektheater in Amsterdam en koos het ervoor de buitenlandse optredens te beperken en het accent in Amsterdam te leggen om nieuw en meer publiek te trekken. Optredens in prestigieuze theaters in steden als New York, Londen, Parijs, Moskou en Leningrad zijn in de ogen van het Nationale Ballet nu een must geworden. Verder zal de coaching van nieuw talent moeten worden geïntensiveerd. Nieuw repertoire, zo hebben Eagling en Hendriks voor ogen, zal de komende jaren voor een belangrijk deel van buitenlandse choreografen moeten komen.

Eén of twee avondvullende balletten zullen aan het repertoire worden toegevoegd. Gedacht wordt aan Eugene Onegin (Cranko), La Bayadere (in principe de Kirov-versie), De Notekraker (van Nurejev of een nieuwe versie) en Robin Hood (een nieuwe produktie van Eagling). Verder wordt gewerkt aan een co-produktie met de Nederlandse Opera, die mogelijk wordt uitgebracht tijdens één van de komende Holland Festivals.