Mexicaanse P'urhépecha: de regering laat ons als honden sterven; INDIAANS WANTROUWEN

Hoeveel Indianen Mexico telt weet niemand. De "censo', de laatste grote, maar incomplete volkstelling in 1980 kwam uit op zo'n 20 miljoen. En waar de P'urhépecha's, een van de 56 Indianen-groepen, vandaan komen weten ze ook niet. Waar ze willen blijven, weten ze wel: in Michoacán, de noordwestelijk van de hoofdstad gelegen deelstaat.

Langs de kant van de weg zitten twee bejaarde P'urhépecha-vrouwen en een jong meisje in het gras. Met hun zwart-blauw gestreepte omslagdoeken beschermen ze zich tegen de koelte die aan het einde van de warme dag naar de vallei afdaalt. Zij hebben hun rug gekeerd naar de Mexicaanse beschaving die voorbij raast in de vorm van Coca-Cola-trucks en pick up's met uit de raampjes bonkende muziek van FM-stations.

Ze turen de vallei af. Beboste vulkaanhellingen met nevelkransen. De velden met maïs en boterbloemen waar af en toe een hert tussendoor schiet. Grote gele vlinders. Zwaluwen die laagvliegoefeningen doen. De boer die voortsjokt achter zijn met bundels hout bepakte muilezel.

“Ons land is mooi”, zeggen ze. Waar komt de vreemdeling vandaan, willen ze weten. “En, is dat ver, Holanda?” Kennelijk, want de vreemdeling stapt na korte tijd met een afscheidsgroet weer op. “Andale Pues, vooruit maar”, luidt het op verbaasde toon uitgesproken antwoord. En dan kijken ze weer in de vallei van de Meseta Tarasca, waar alles mooi, vreedzaam en oneindig lijkt.

Don Ceclio Mercado was op 20 mei 1950 de eerste dode. Don Felipe Bautista Hernández op 19 juni 1991 de laatste. Tussen die twee sterfgevallen in sneuvelden veertig tot vijftig andere boeren van Nuró. De ouderen weten het aantal niet precies. Maar wel de namen. Don Mauricio, Don Enrique, en Abel, de neef van Don Pepe, dat was in juni 1960.

De al meer dan veertig jaar durende grondoorlog met de "P'urhépecha-broeders' van Cocucho heeft een zware tol geëist van Nuró, “het dorp van de weduwen en wezen”, zoals schoolmeester Alejo Moreno Rubio het noemt. Maar ook in het aan de andere kant van de vallei gelegen Cocucho vallen de doden. Al meer dan twintig. Don Denancio Vargas schudt zijn naar eigen schatting 73-jarige hoofd onder de sombrero. “Carajo, verdomme, deze oorlog is idioot. We zijn toch allemaal zonen van dezelfde Chingada”, zegt hij onder verwijzing naar het punt in de geschiedenis van de Mexicaanse Indianen waarop het allemaal begon mis te lopen. Zo'n vijfhonderd jaar geleden.

Met bruut geweld dwongen de Spaanse veroveraars in het begin van de zestiende eeuw het gebied binnen wat nu Mexico is, maar toen toebehoorde aan de Azteken, de Tolteken, de Maya's, de P'urhépecha's en de tientallen andere Indianen-volken. Het land werd gekoloniseerd, het goud geroofd, mannen vermoord en vrouwen verkracht. Maar de kinderen van de verkrachte vrouw ("la chingada') vormen de 56 etnische minderheden die nu verspreid door het hedendaagse Mestizo-Mexico wonen.

Hoeveel Indianen Mexico telt weet niemand. De "censo', de laatste grote, maar incomplete volkstelling in 1980 kwam uit op zo'n 20 miljoen, ongeveer het midden houdend tussen de conservatieve schatting van 12 miljoen en de ruime van 25 miljoen, wat een kwart van de huidige Mexicaanse bevolking zou betekenen.

Redacteur Ramón Vera van het deels door de staat gefinancierde maandblad México Indgea houdt het op ongeveer 15 miljoen. De Indianen in Mexico, vertelt hij, worden nog altijd beschouwd als tweederangs burgers. "Indio' is een scheldwoord. “Maar sinds het begin van de jaren zeventig is er sprake van een herwaardering van de Mexicaanse Indiaan. Vooral de antropoloog Fernando Bentez heeft een grote betekenis gehad voor de "herontdekking' van de Indianen.”

Net als in de rest van Latijns Amerika markeerde het begin van de jaren zeventig ook in Mexico het ontwaken van een politiek getint zelfbewustzijn van de Indianen. Hoewel Mexico - op een geïsoleerd geval in de staat Guerrero na - nooit een guerrillabeweging heeft gekend zoals een aantal Midden- en Zuidamerikaanse landen die hadden of nog steeds hebben, werden ook de Mexicaanse Indianen allengs strijdbaarder.

Na eeuwen van onderdrukking, uitbuiting en schending van mensenrechten stelden de Indianen zich teweer. Nu werken ze aan de verbetering van hun eigen lot en aan het behoud van hun culturele identiteit. Toch, zo schrijft Guillermo Bonfil Batalla in zijn als sleutelboek van de Mexicaanse antropologie beschouwde "México Profundo', “het onafhankelijke Mexico heeft de verschillende groepen Indianen nooit willen erkennen als eveneens onafhankelijke naties.”

Bonfil schetst de houding van Mestizo's ten opzichte van de Indianen aldus: “De Indianen zijn òf Mexicanen en ze houden zich aan de wetten van het land, òf ze zijn rebellen die de nationale soevereiniteit in gevaar brengen en dus vijanden en verraders van het vaderland.”

Waar ze vandaan komen weten de P'urhépecha's, een van de 56 Indianen-groepen in Mexico, net zomin als de rest van de wereld. Waar ze willen blijven, weten ze wel: in Michoacán, de noordwestelijk van de hoofdstad gelegen deelstaat waarin zoveel van Mexico's post-revolutionaire geschiedenis wordt gemaakt.

De fysicus dr. Ireneo Rojas Hernández, directeur van het in Morelia gevestigde Instituto Michoacano de Cultura zegt: “De eerste tekenen van P'urhépecha-aanwezigheid in Michoacán stammen van zo'n duizend jaar geleden. Maar waar wij vandaan komen, weet niemand. Sommigen zien verwantschap van onze taal met het Quechua en Aymara in Peru, maar bewijzen zijn er niet.”

Rojas werd geboren in Cherán, in het gebied dat La Meseta Tarasca wordt genoemd. De trots van Rojas op zijn afstamming strekt zich uit tot de achterbak van zijn auto, waaruit hij brochures over de cultuur, een aanzet tot een cursus geschreven taal en langspeelplaten met muziek van de P'urhépecha's tevoorschijnhaalt.

De beminnelijke fysicus met een graad van de universiteit van Tübingen meent dat de kansen van de P'urhépecha's op het behoud van hun eigen culturele identiteit groter zijn dan die van andere Indianen, omdat het tot voor kort een compacte groep mensen in één enkel gebied betrof. Maar van de volgens Rojas in totaal 500.000 P'urhépecha's - die ook wel ten onrechte worden aangeduid als Tarasco-indianen - spreken nog maar 200.000 de taal. Er leven 50.000 in Mexico-Stad en 20.000 in de Verenigde Staten.

De sociale situatie van de P'urhépecha's en de opdringende moderne maatschappij zijn debet aan de uitholling van hun cultuur. De traditionele feesten worden nog wel gevierd, de kleding nog wel gedragen, maar de jongeren onttrekken zich aan het eens onaantastbare gezag van de ouderen. De autoriteit van de Consejo de Ancianos - de Raad van Ouderen - is tanende.

Drank- en drugsgebruik, moord en bloedvetes - wezensvreemde elementen in de P'urhépecha-cultuur - zijn hier de gevolgen van, aldus Rojas. “We worden in een verdomhoekje gedrukt en daarom proberen we er zelf weer uit te komen.”

Dat lijkt te lukken. “De mensen schamen zich niet langer om P'urhépecha te spreken.” Maar Rojas geeft zelf al de begrenzing van zijn enthousiasme aan. Het probleem van de grond, de geschiedkundige vloek die het zich snel moderniserende Mexico in het drijfzand van de onderontwikkeling trekt, is ook het grote probleem van de P'urhépecha's. Van de gehuchten Cocucho en Nuró. Van de broederstrijd om de "Tierras Comunales'.

De namen zijn al even prozaïsch als het landschap. Een rondgang door het land van de P'urhépecha's leidt langs de Cañada de los Once Pueblos aan de weg van Morelia naar Zamora, door de Meseta Tarasca, naar Los Reyes, Uruápan, en Pátzcuaro, het stadje waar de cultuur van de Indianen en het koloniale verleden van Mexico een toeristisch aantrekkelijke harmonie hebben gevonden.

Op de wegen langs de zijden van de driehoek waarbinnen P'urhépecha-land ligt, overheerst soms het beeld van de Amerikaanse freeway. Je ziet veel Amerikaanse sleeën met nummerborden van California, Texas (The Frontier State), New York, Oklahoma en Arizona.

De diaspora komt even thuis. Als toeristen voor het Fiesta de las Guitarras in Paracho of één van de vele dagen van de Virgen, de Heilige Maagd Maria, die in augustus worden gevierd.

Ze ontvluchten het schaarse land van hun voorvaderen, de jonge P'urhépecha's. Naar Zamorra gaan ze of Morelia of Guadalajara, op zoek naar werk. Of verder weg, in Mexico-Stad of in Californië om terug te keren in auto's met vreemde nummerplaten, met draagbare stereo-installaties, met vreemde vrouwen en nog vreemdere gewoontes. Op de "Tierras Comunales', de gezamenlijke gronden van de Indianen zoals die in 1827 door de regering van Michoacán aan ze zijn gegeven, is geen ruimte meer.

Als ze niet weggaan van hun geboortegrond dan wordt nog wel eens een marihuanaveldje aangelegd. Dat gebeurt vooral in Tierra Caliente, de Hete Aarde, waar Michoacán de bergen afdaalt en in de Stille Zuidzee zakt. Niet de narco-bazen worden gepakt, maar de boeren met de marihuanaveldjes. Een onevenredig groot deel van de Mexicaanse gevangenispopulatie is Indiaan, stelde de voorzitter van de staatscommissie voor mensenrechten, Jorge Carpizo, onlangs vast.

Misdaden tegen de Gezondheid, noemt de Mexicaanse wetgever het verbouwen van marihuana, maar de Indiaan begrijpt vaak de taal waarin het vonnis wordt uitgesproken niet eens. “Onlangs”, vertelt Ramón Vera van het tijdschrift México Indgena, “kwam een tweetalige Indiaan in de gevangenis een andere Indiaan tegen die hem vroeg "Weet jij wat er op dit papiertje staat'? Het bleek zijn vrijlatingsbewijs te zijn, dat een jaar eerder was gedateerd.”

De schending van de rechten van de mens van Indianen is niet vaak een thema van Radio XEPUR, 830 meter op de middengolf. Want, zo zegt programmamaker Esdivel Lorenzo Molina, “schendingen van de mensenrechten komen hier niet veel voor”. Lorenzo is net uit de kleine omroepcel gekropen waar hij samen met Adelaïde Huerta Soliz een tweetalig nieuwsbulletin heeft voorgelezen.

Esdivel las de uit de krant van die ochtend geknipte berichten in het Spaans voor, Adelaïde vertaalde ze in het P'urhépecha. Radio XEPUR werd in 1982 onder auspiciën van het Nationale Indianen-Instituut (INI) opgericht.

Esdivel was landbouwingenieur en gaf technische hulp aan de P'urhépecha-boeren. Via een adviesprogramma voor XEPUR kwam hij bij het station en is nu plaatsvervangend directeur. De herwaardering van P'urhépecha-cultuur is de belangrijkste taak van Radio XEPUR, zegt Esdivel.

Politieke propaganda, religie en commercie zijn verboden, stelt de richtlijn voor de Indianen-radiozenders, die is opgesteld door INI en dus door de Mexicaanse overheid en dus door de al meer dan zeventig jaar regerende Institutionele Revolutionaire Partij (PRI). “Maar we zijn geen PRI-zender hoor, want anders zouden we de luisteraars toch maar van ons vervreemden”, haast Esdivel Lorenzo zich te zeggen.

Hij kent zijn luisteraars goed. De P'urhépecha's zijn geen "PRI-istas', ze zijn aanhangers van de oppositionele Revolutionare Democratische Partij (PRD), of eigenlijk meer van partijleider Cuauhtémoc Cárdenas Solórzano en nog meer van diens vader, de roemruchte oud-president Lázaro Cárdenas del Ró.

Michoacán, het P'urhépecha-gebied, belichaamt de jonge turbulente geschiedenis van de Mexicaanse politiek. Generaal Cárdenas - Don Lázaro zeggen de Indianen respectvol - was de grondlegger van de politiek-gouvernementele monoliet die de PRI heden ten dage is. Maar zelf van Indiaanse afkomst, ontpopte de in de jaren dertig regerende president zich vooral als weldoener van de Indianen.

“Zie je die weg hier? Aangelegd door Don Lázaro”, zeggen ze in een gehucht, “en ook de elektriciteit en het water”. Cárdenas' zoon Cuauhtémoc stapte in de voetsporen van zijn vader met een gouverneurschap voor uiteraard de PRI in Michoacán. Maar el ingeniero gaf aan het begin van de jaren tachtig zijn pogingen op om de politieke moloch van binnenuit te hervormen en richtte de PRD op. In 1988 deed hij een succesvolle, maar door fraude van PRI-zijde verhinderde, gooi naar het presidentschap.

De P'urhépecha-Indianen hebben in overgrote meerderheid een afkeer van de PRI, met uitzondering van de nagedachtenis aan president Cárdenas. De PRI is immers de gehate Reforma Agraria, de pogingen de Indianen eronder te krijgen door ze onderling te verdelen en tegen elkaar uit te spelen.

Een medewerker van het INI zelf erkent dit, mits anoniem, maar graag letterlijk geciteerd. “Het programma Solidariteit gaat voorbij aan de bestaande structuren en vormen van samenwerking van de Indianen zelf. Het is de gouden arm van de regering maar het meeste geld gaat op aan de publiciteitscampagne er om heen. Het is een verachtelijke vorm van coöptatie die doet denken aan het fascisme.”

En zo denken de Indianen in de dorpen en gehuchten van de Meseta Tarasca er ook over. Schoolmeester Rogelio Mercado Damián, wiens gezette postuur en vriendelijke voorkomen een verkeerde eerste indruk geven van zijn strijdbaarheid, is de gids langs het scala van problemen waarmee het 3.500 inwoners tellende dorp Nurió te maken heeft. Steeds weer komt het gesprek terug op het hoofdprobleem: de grond en de verdeling ervan.

“De kern van het probleem is dat de overheid zich verzet tegen de zelfwerkzaamheid van de Indianen, omdat ze vrezen dat dit de politieke oppositie zal versterken. En dus passen ze een tactiek van verdeel en heers toe, zoals hier in Nurió en Cocucho. Maar ik geloof dat het volk uiteindelijk wakker zal worden en de gewapende strijd zal beginnen. Niet tegen elkaar en niet nu, maar tegen de regering en misschien pas over tien of vijftien jaar.”

Ook burgemeester Pablo Rodrguez Elás van Cocucho bevestigt de verderfelijke rol van de overheid in het aloude broederconflict met Nurió. Maar in Concucho denken ze er als P'urhépecha's onderling niet meer uit te kunnen komen.

De hoop is gevestigd op een oplossing via de vorig jaar door president Salinas de Gortari ingestelde Brigada Agria Mixta, een verzoeningscommissie die bestaat uit deskundigen uit andere delen van de Meseta. “Het probleem is dat we te maken hebben met eigendomsrechten die teruggaan tot de tijd van de kolonisatie”, zegt ir. Pepe van de Brigada Mixta tijdens een werkbezoek aan een onwelwillend Nurió. “Wij hebben in één geval een eigendomsdocument ontdekt dat was uitgereikt door de Spaanse onderkoning in 1508. Nou, toen moesten de Conquistadores Tenochtitlán (het oude Mexico-Stad van de Azteken) nog veroveren.”

Het wantrouwen van de P'urhépecha's zit diep. “Blijf erbij als die PRI-istas hier komen”, vraagt Don Denancio Vargas dringend voordat de Brigada in Nurió arriveert. De vreemdeling heeft het vertrouwen van de dorpsoudsten gekregen omdat, zoals Don Denancio zegt, “u met uw publikatie in het buitenland aandacht op onze zaak kunt vestigen”. De aan de PRI-leiband lopende Mexicaanse pers wordt absoluut niet vertrouwd.

In Nurió vertellen ze de anekdote van een reportageploeg van de krant La Jornada die in het dorp poolshoogte kwam nemen. De fotograaf was verveeld. “Ik ben in El Salvador en Nicaragua geweest, daar was het pas echt oorlog”, had hij gezegd. Maar nadat de reportagewagen vanuit Cocucho onder vuur was genomen, had de fotograaf gegild: “Terug idioten, wat is dat voor gedoe hier”?

In het gemeentehuis van Charápan, waar het bestuur van Cocucho voor een vergadering bijeen was, wekte de anekdote uit Nurió zoals die door de vreemdeling werd weergegeven de nodige hilariteit op. “Het verschil met El Salvador en Nicaragua is de witte vlag”, zegt schoolmeester Cipriano Pasaye Marcelo van Cocucho, “hier is de witte vlag niets waard”.

Een kort bezoek aan Cocucho, een half uur rijden over een karrespoor van Charápan, eindigt in een fikse onweersbui. De weg dreigt onbegaanbaar te worden voor de gehuurde Golf en dus nemen we snel afscheid van burgemeester Rodrguez. Halverwege de terugtocht naar Charápan is het water te veel geworden voor de auto. We staan vast in de modder.

Wat had schoolmeester Alejo Moreno ook weer gezegd? “De regering laat ons als honden sterven. Dit is een prachtig land maar het wordt door slechte mensen bestuurd.” De strijd lijkt gestreden, de verovering na vijfhonderd jaar vrijwel voltooid.