Memoires (22)

Het was een vreemde gewaarwording: toen ik drie dagen geleden 's avonds laat op mijn televisie Moskouse demonstranten zich teweer zag stellen tegen soldaten, werd ik overmand door emoties die me verbaasden door hun heftigheid. De verbeten manier waarop mannen en vrouwen probeerden de tanks onschadelijk te maken, de twijfel in de ogen van soldaten die op zich in lieten praten, het gevoel dat er ieder moment een catastrofe kon volgen, ik kon er niet onaangedaan naar kijken, ik voelde me persoonlijk betrokken zonder dat ik erbij was. Terwijl op televisie een deskundige, kijkend naar dezelfde beelden, alle getoonde emoties ondergeschikt maakte aan zijn zelfgenoegzame geleerdheid, voelde ik maar een ding: ik wilde er naartoe, zo snel mogelijk. Ik kon niet stil blijven zitten, laat staan gaan slapen, ik moest iets doen. Ik wilde deel uitmaken van wat ik zag gebeuren.

Dat was eigenaardig, want de weinige keren dat ik in mijn leven wel deel had aan een gebeurtenis, voelde ik me een vreemde in een vreemd land. In schreeuwende mensenmassa's wilde ik altijd zo snel mogelijk ontsnappen, liever dan de barricaden te beklimmen, liep ik een blokje om, leuzen kwamen nooit zonder gêne mijn mond uit. Wanneer ik er werkelijk bij was, voelde ik me er nooit werkelijk deel van uitmaken. Ik voelde me betrokken bij wat ik niet beleefde, en niet betrokken bij wat ik wel beleefde. Het moment ontsnapte me altijd. De massale euforie die volgde op de mislukte coup, versterkte mijn gevoel van machteloosheid. Het was zoals het altijd was geweest: alles gebeurde zonder mij.

Was het verlangen dat ik voelde toen ik de televisiebeelden uit Moskou zag, dan een vals verlangen? Een geval van instant-sentimenten, onvervalste huiskamerpathetiek, kortom een voorbeeld van grof zelfbedrog? Voorbeelden genoeg in het afgelopen jaar. Ik herinnerde me hoe ik nog geen half jaar geleden wilde afreizen naar Irak, hoe mijn ogen volschoten bij het zien van beelden van vluchtende Koerden, en ik schaamde me. Waar was dat medeleven gebleven? Ik moest denken aan mijn impulsieve verlangen om Salman Rushdie eigenhandig te redden en Khomeini's fatwa ongedaan te maken. Het klinkt absurd, maar dat verlangen was oprecht, ik was er dagenlang van in de ban geweest.

Waar bleven al die mooie gevoelens? Ik had veel meegeleefd met anderen in mijn leven, maar wat had ik gedaan?

Ik ging weer terug in mijn gedachten naar de hete zomer van 1966, naar de rellen en het rumoer. Veel van mijn generatiegenoten koesterden de overtuiging dat er na de vijf jaar die volgden op het huwelijk van Beatrix en Claus niets meer is gebeurd in Nederland. Daarom bewaarden ze dankbare herinneringen aan iedere klap die ze met een gummi-knuppel hadden gekregen, daarom ontleenden ze een groot deel van hun huidige, niet geringe eigenwaarde aan het feit dat ze ooit eigenhandig een deur hebben geforceerd en een universiteitsgebouw bezet. Vriendinnen vertellen nog altijd trots hoe ze in het openbaar hun b.h. verbrandden, hoewel ze er inmiddels allang weer een dragen, alleen van een veel duurder merk.

Terugdenkend aan die dagen voelde ik helaas niet die geruststellende zekerheid werkelijk iets beleefd te hebben, iets waar je een heel leven op kon teren. Ik had niets beleefd. De jaren zestig in Amsterdam in mijn herinnering, dat was geen revolutie, dat was een gezelschapsspel.

Ik moest opnieuw denken aan het ronde gezicht van het jongetje in het café aan het Spui. Zoals ik al schreef, ik herkende hem zonder hem te kennen. Op verzoek van zijn moeder had hij het gezicht van een overgelukkige Beatrix achter haar bruidssluier nagedaan. Ik keek naar hem terwijl ik me verzette tegen een gevoel van nutteloosheid dat me die hele middag al had achtervolgd.

Ik benijdde het kind zijn onschuld. Het gezicht onder het lange, blonde haar vroeg voortdurend om de aandacht van zijn omgeving. Na zijn geslaagde imitatie keek hij naar het tafelkleed, oprecht verlegen met zijn succes, maar ik zag dat hij genoot, dat dit een van de belangrijke momenten uit zijn leven was. Zijn geldingsdrang was duidelijk even groot als zijn verlangen om te behagen. Het applaus van zijn familie was niet genoeg, dat zag je zo, het was niet meer dan een eerste stap.

Zijn solo-voorstelling was afgelopen en juist toen ik het café uit wilde lopen, keek hij mijn richting op. Ik schrok opnieuw, al kon ik niet goed zeggen waarom. Het scheen me alsof ik iemand aankeek die verschrikkelijk veel op mij leek, een soort dubbelganger. Juist dat was zo griezelig: hoe kon ik, een negenentwintigjarige fotograaf met een stukgelopen huwelijk en twee kinderen, op een jongetje van zes of zeven lijken?

Ik liep het café uit zonder nog naar hem om te kijken, maar ik wist dat ik niet van hem af was. Het kind had een verwantschap met mij opgeëist door een blik en ik begreep dat hij mij vanaf dat moment zou achtervolgen. En inderdaad, het zou niet onze laatste ontmoeting zijn. Er gingen jaren voorbij, maar ik zag hem opnieuw in 1980.