Joegoslavië kan niet uiteenvallen

Op 14 september 1949 legde de Nationale Veiligheidsraad in Washington aan president Truman een strikt geheim document voor over de Amerikaanse politiek ten opzichte van de satellietstaten in Oost-Europa. Amerika zou zich tot doel moeten stellen het Sovjet-overwicht aldaar geleidelijk te verminderen en tenslotte uit te schakelen zonder zijn toevlucht tot oorlog te zoeken. De beste weg zou zijn het ontstaan van "ketterse' regimes te bevorderen naar het model van Tito's Joegoslavië. Op die wijze zouden dan twee tegengestelde blokken in de communistische wereld kunnen ontstaan: een stalinistisch blok en een "non-conformistische splintergroep.

Bij het aanbreken van de Oost-West-ontspanning in de jaren zestig, is deze weg niet verlaten. Naast Joegoslavië, mocht ook Roemenië zich verheugen in Westelijke aandacht, kredieten en onderscheidingen. De ontspanningspolitiek - vooral in de gestalte van de Westduitse Ostpolitik - bedacht ook nog een tweede weg: het verminderen van de druk-van-buiten-af zou de communistische leiders in de afzonderlijke landen ertoe brengen van bovenaf hervormingen te beginnen.

De geschiedenis van de bevrijding is in Oost- en Centraal-Europa anders verlopen dan de Westerse strategen hadden bedacht. In de landen, waar de communistische "ketters' geen kans kregen, is de bevrijding van het Sovjet-overwicht inmiddels van onder op en zonder geweld bereikt. In de "ketterse' landen is de revolutie gewelddadig vastgelopen. In Roemenië is de Ceausescu-kliek met veel geweld verdreven, maar de communisten zijn nog steeds aan de macht en in Joegoslavië hebben de communisten zich verschanst in het federale leger en in het Servische regime van Milosevic.

Deze ontwikkelingen, als ook de Joegoslavische crisis hebben het vroegere Westen overrompeld en in grote verwarring gebracht. Washington houdt zich afzijdig. De Europese Gemeenschap heeft zich, te laat en verdeeld, als bemiddelaar in de crisis gestort. Wat zich thans in Joegoslavië, in de Balkan en in Oost- en Centraal-Europa afspeelt, vraagt om een gedifferentieerde benadering. Voor 1914 was de Balkan inzet van een machtsstrijd tussen het Tsaristische Rijk, het Duitse Keizerrijk en de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie over de Europese restanten van het tanende Ottomaanse Rijk. Daarom, werd de Balkan het "kruitvat van Europa'. Deze machtsstrijd zelf was de laatste "geseculariseerde' fase van een veel ouder conflict tussen de machtscentra van de orthodoxe christenheid (Constantinopel, Byzantium, later Moskou), de latijnse christenheid (Rome, later het Heilige Roomse Rijk) en de islam (Baghdad, Damascus, Istanbul). In de negentiende eeuw kwam daar nog de machtsstrijd bij tussen het Noordduitse (evangelische) Rijk van Bismarck en het (katholieke) Habsburgse Rijk en (binnen het Habsburgse Rijk) tussen Oostenrijk en Hongarije. Na de Grieken waren de Serviërs de eersten, die zich aan de Turkse heerschappij ontworstelden. Zij hadden hun orthodoxe geloof bewaard en ondergingen sterk de invloed van Moskous pan-slavisme. Slovenië werd uit Wenen bestuurd en genoot een grote mate van gelijkberechtiging. Kroatië-Slavonië en de Vojvodina werden van Boedapest uit bestuurd (evenals Slowakije). Voor hen stond gedwongen "magyarisatie' op het programma. In de overige gebieden, waaruit de Turken zich terugtrokken - Bosnië, Macedonië en Albanië - bleven belangrijke moslimse minderheden achter.

Evenals Polen en Tsjechoslowakije is Joegoslavië een schepping van de vredesconferenties na de Eerste Wereldoorlog. In de loop van de geschiedenis waren naties, stammen en etnische groepen echter zo met elkaar vermengd, dat iedere grensafbakening een grote mate van willekeur moest bezitten. De situering van minderheden en nationaliteiten, die tegenwoordig op mooie landkaartjes bij artikelen over het gebied wordt gegeven, wekt daarom meestal een verkeerde indruk. Het lijkt alsof minderheden en nationaliteiten al dan niet verspreid eigen gebieden bewonen. Zo is het echter niet. In de lange machtsstrijd in en tussen de grote rijken, verschoven de grenzen voortdurend, maar was er ook veel meer migratie over de grenzen dan tussen soevereine staten in de twintigste eeuw. Bevolkingsgroepen leefden niet territoriaal gescheiden, maar in hiërarchische of functionele verbanden door elkaar. Duitsers en joden waren transnationale minderheden, Hongaren overheersten Slowaken en Kroaten, Turken speelden religieuze en etnische minderheden tegen elkaar uit. Bevolkingsgroepen leefden niet alleen door elkaar heen maar ook zo met elkaar dat geen landkaart die werkelijkheid kan weergeven.

Tussen de twee wereldoorlogen slaagden de nieuw gevormde staten er dan ook niet in functionerende democratieën te worden en vielen zij later snel ten prooi aan de expansiedrang van Mussolini's Italië, Hitlers Duitsland en Stalins Sovjet-Unie. Het waren vooral de vroeger verdrukte minderheden, die met nazi-Duitsland collaboreerden waar het de uitroeiing van bevolkingsgroepen betrof. De Oekraïeners hielpen bij de uitroeiing van Polen, joden en zigeuners, de Slowaken bij de uitroeiing van joden, en de Kroaten bij de uitroeiing van Serviërs, joden en zigeuners.

In de naoorlogse fase werd geheel Oost-Europa gelijksgeschakeld onder Sovjet-communistische overheersing en werden Duitsers verdreven of tot assimilatie gedwongen. De godsdienstvervolging en de onderdrukking van eigen, nationale of culturele identiteit trof iedereen, maar de minderheden in het bijzonder. De in de oorlog opgekropte haat kon geen uitweg vinden in naoorlogse verzoening. In Joegoslavië, Roemenië en Albanië - die hun eigen communistische weg gingen - was er ook geen buitenlandse overheerser, die bevolkingsgroepen samenbracht in verzet.

Grote, imperiale mogendheden hebben de gewoonte - meestal na een grote oorlog - nieuwe grenzen te trekken op grond van hun imperiale belangen of een of ander beginsel, dat uitgangspunt moest worden voor een nieuwe politieke orde. Na de Eerste Wereldoorlog werden nieuwe grenzen op de Vredesconferenties vastgesteld. Na de Tweede Wereldoorlog verlegde Stalin (voornamelijk eenzijdig) de grenzen van de Sovjet-Unie en Polen. Voor Oost- en Centraal-Europa, maar ook voor de Balkan, moet het jaar 1989 gezien worden als het eindpunt niet alleen van het totalitaire stelsel, maar van de overheersing door een of meer imperiale mogendheden.

Dat eindpunt wordt misschien het beste gemarkeerd door het Sovjet-Duitse Verdrag van 9 november 1990. Volgens dit verdrag beschouwen Duitsland en de Sovjet-Unie thans en voor de toekomst de grenzen van alle staten in Europa, zoals ze op de dag van de ondertekening lopen, als onschendbaar. Voor Duitsland markeert dit verdrag het einde van een imperiale, grote mogendheid politiek ten opzichte van Oost- en Centraal-Europa. Duitsland heeft het verlies van 68.000 km2 in 1919 en van nog eens 116.000 km2 in 1945 aanvaard. De miljoenen Duitsers, die na de Tweede Wereldoorlog uit Oost- en Centraal-Europa en de Balkan zijn verdreven, blijven Duitse staatsburgers binnen de huidige staatsgrenzen. Voor de Sovjet-Unie betekent dit verdrag een (laatste?) poging de na de oorlog geannexeerde gebieden te behouden. In het post-imperiale tijdperk is er dus geen grote mogendheid meer, die belangstelling heeft voor het verleggen van grenzen.

Daarmee heeft de Balkan opgehouden het kruitvat van Europa te zijn en is er weinig of geen gevaar voor escalatie van lokale gevechten tot een Europees conflict. Kroatië en Slovenië oogsten weinig sympathie voor hun onafhankelijkheid en Servië nog veel minder voor zijn pogingen eigen grondgebied met geweld uit te breiden. Beide partijen vechten in een doodlopende straat. Joegoslavië kan niet echt uiteenvallen, maar kan ook geen Servisch, communistisch rijk meer worden. Zelfs voor de, door sommigen, gevreesde "liberalisering' van Joegoslavië ontbreekt de buitenlandse steun.

In de huidige Europese situatie, zijn de volkeren van Joegoslavië, ja in het gehele gebied van de Balkan en het vroegere Oost-Europa ertoe "veroordeeld' redelijk met elkaar samen te leven. Het is in hun belang, dat nationale, religieuze en etnische verschillen niet door autoritaire machthebbers worden misbruikt voor een uitzichtloze machtsstrijd. Wat zij nodig hebben, is ontwapening, bevrijding, democratisering, economische verheffing en onderlinge verzoening.

Joegoslavië en in mindere mate Roemenië en Albanië, zijn overbewapende landen. Het zou goed zijn het kader van de CSE-onderhandelingen in Wenen te gebruiken om op korte termijn te komen tot vermindering van bewapening en strijdkrachten in deze landen. Voorzover de rest van Europa politieke druk kan uitoefenen, zal die zich allereerst moeten richten op democratisering, het vertrek van heersers als Milosevic in Servië en Iliescu in Roemenië en vrije verkiezingen. Economische verheffing kan niet zonder uitgebreide economische hulp en die hulp moet beschikbaar komen op voorwaarde van democratisering en opening van onderlinge grenzen. De overige Europeanen kunnen dit proces begeleiden en bevorderen, niet door het zenden van interventiemachten, maar wel door het beschikbaar stellen van adviseurs, waarnemers en hulpverleners uit de Gemeenschap, de staten en de burgermaatschappij.

Ook in de Balkan is er vandaag geen reëel alternatief voor onderlinge verzoening en gezamenlijke aansluiting bij een Europa van vrije burgers en open grenzen.