Industrieel en verzamelaar Daniel Terra financiert nieuwbouw met 34 miljoen gulden; Amerikaans museum in Monet's Giverny

In het Franse dorp Giverny verrijst op een steenworp van het huis van de schilder Claude Monet een nieuw museum, een initiatief van de Amerikaanse industrieel en verzamelaar Daniel Terra. Hier zal het werk te zien van de Amerikaanse volgelingen van Monet.

Tientallen Amerikaanse schilders kwamen sinds 1887 naar Giverny, het idyllische dorpje aan de rivier de Epte, zestig kilometer ten westen van Parijs, om bij Claude Monet lessen te nemen in het impressionisme. Dit najaar wordt in Giverny een nieuw museum geopend waarin ongeveer 175 schilderijen en tekeningen van deze Amerikaanse impressionisten ten toon zullen worden gesteld. Initiator en financier van het project, waarmee ongeveer 34 miljoen gulden is gemoeid, is een Amerikaan, de tachtigjarige Daniel J. Terra. Deze rijke industrieel, stichter van het Museum for American Art in Chicago, is eigenaar van achthonderd schilderijen, de meeste van Amerikaanse impressionisten.

Claude Monet kocht in 1883 een huis in Giverny, waar hij tot zijn dood in 1926 zou blijven wonen. Naast het ruime huis bouwde de schilder een enorm atelier, en hij legde er zijn beroemde tuinen aan (hij had lange tijd zes tuinlieden in dienst om ze te onderhouden) en de even fameuze vijvers met de waterlelies. De vijvers werden gevormd door een kunstmatige aftakking van de Epte, een klein riviertje, bijna een beek, die achter huis en tuin langs stroomt, op weg naar de Seine.

Vanaf het moment dat hij in Giverny zijn intrek nam, was Monet omringd door jonge Amerikaanse schilders. In 1887 schreef het Amerikaanse tijdschrijft The Art Amateur: “Een waarachtige Amerikaanse kolonie heeft zich, naar het schijnt, in Giverny verzameld, de woonplaats van Claude Monet, met name Louis Ritter, Williard Metcalf, Theodore Wendel, John Leslie Breck en Theodore Robinson.” The Art Amateur was niet erg onder de indruk van de schilderijen die deze Amerikanen maakten: “Ze tonen dat ze (de schilders) het blauw-groene impressionisme van Monet hebben geleerd en dat ze het slecht hebben geleerd.”

De faam van Monet in Amerika was toen al gevestigd. In 1886 vond in New York een grote tentoonstelling plaats, op verzoek van de plaatselijke American Art Association georganiseerd met medewerking van de Franse kunsthandelaar Durand-Ruel, de belangrijkste "verkoper' van de impressionisten. Het was een rijke expositie: 48 Monet's, 42 Pissarro's, 38 Renoir's, 23 Degas', 17 Manet's, 15 Sisley's, drie schilderijen van Seurat en - kennelijk voor de financiële zekerheid - vijftig werkstukken van meer conventioneel karakter.

Met de expositie, die een redelijk succes was, verkreeg Monet in Amerika de reputatie van leider van deze nieuwe school van schilderen. De ene na de andere Monet-expositie volgden elkaar in snel tempo en met groot commercieel succes op. Alleen al in Boston, de hoofdstad van Massachusetts, werden in de loop van een beperkt aantal jaren 66 schilderijen van Monet verkocht. Het is dan ook geen wonder dat in Amerika meer beroemde schilderijen van impressionisten zijn dan in Frankrijk.

Voor de jonge Amerikanen die zich rond de meester verzamelden, was Giverny een "paradijs' zoals een hunner schreef. Monet had het soms moeilijk met de jeugdige druktemakers van overzee. Een hunner, John Leslie Breck, legde het aan met diens schoondochter Blanche, wat de woede van Monet opwekte: hij zond Breck terug naar Boston. Theodore Earl Butler was gelukkiger: hij trouwde in 1892 met een andere schoondochter van Monet, Suzanne. Het paar kreeg twee kinderen. Nadat Suzanne was overleden, trouwde Butler met haar oudere zuster Marthe. Van het eerste huwelijk bestaat een schilderij - de trouwstoet met vooraan vader Claude op weg naar de kerk - gemaakt door Theodore Robinson, overigens niet in Giverny, maar later na zijn terugkeer in de Verenigde Staten. Een van de kleinkinderen van Butler werkt als gids in het Musée Monet in Giverny, dat het huis, het atelier en de tuinen van de meester bevat.

Nadat Claude Monet in 1926 overleed, viel de toen nog dertig kunstenaars tellende Amerikaanse kolonie in Giverny snel uiteen. Het dorpje aan de Epte - niet veel meer dan een lange straat met aan weerszijden huizen - geraakt in vergetelheid. In 1966 overlijdt Michel Monet, de zoon van de meester, die het huis en de tuinen zo goed mogelijk in stand heeft gehouden. Hij laat het eigendom na aan een culturele instelling, die echter geen geld heeft voor onderhoud.

Het verval wordt gestuit met Amerikaans geld, dankzij het ingrijpen van Gerald Van der Kemp, voormalig conservator van het koninklijk paleis in Versailles. Hij laat Giverny profiteren van de stichting die hij in de Verenigde Staten in het leven heeft geroepen om geld in te zamelen voor de restauratie van het onderkomen van de Zonnekoning.

De vermogende Amerikaanse echtgenote van Van der Kemp heeft een passie voor bloemen en tuinen. De inrichting van haar eigen tuin is geinspireerd op Monets plantenparadijs in Giverny. Zij acht zich verplicht bij te dragen aan de restauratie die Van der Kemp in Giverny beoogt - met een miljoen dollar. Er komen er nog elf miljoen bij, afkomstig van in totaal honderd donateurs, sommigen met namen als Roosevelt en Rockefeller. De Fondation Claude Monet besteedt twintig miljoen gulden aan de restauratie van het huis en van de tuinen. Hoewel het Musée Monet geen enkel schilderij van de meester bevat, trekt het jaarlijks (van 1 april tot 1 november) honderdduizenden bezoekers en soms 4500 per dag. Giverny verandert dan in een overvolle parkeerplaats. En in Monet's atelier, helaas zonder enige eerbied ingericht als museumwinkel, verdringen de mensen zich bij de aanschaf van reprodukties en prullaria.

Vanaf april volgend jaar zullen in Giverny ook schilderijen te zien zijn, die in Giverny zijn gemaakt - die van de jonge Amerikanen die het "groen-blauwe' vak van Monet leerden, en in Amerika alleen al daarom een zekere faam verwierven. Op een steenworp van het Musée Monet, uiteraard aan de Rue Claude Monet, verrijst een nieuw museum dat in september gereed zal komen. De schilderijen die vanaf april volgend jaar te zien zullen zijn, behoren tot de collectie van Daniel J. Terra, een Amerikaanse industrieel, die als chemisch ingenieur fortuin maakte met een uitvinding waarvoor de wereld van de drukkunst hem dankbaar was. Zijn zgn. flash dry-proces maakte het mogelijk kleurenmagazines veel sneller te drukken dan tot dan het geval was. De Saturday Evening Post en het eerste nummer van Life werden met de Terra-technologie vervaardigd.

De echtgenote van Daniel Terra was geïnteresseerd in kunst. Ze kocht schilderijen, aanvankelijk Britse landschappen, met de bedoeling een "internationale collectie' te vormen. In 1961 overleed de enige dochter, 21 jaar oud, een tragedie die het echtpaar probeerde te boven te komen met een kunstreis die naar Europa en Giverny voerde en leidde tot een blijvende liefde voor het impressionisme.

Behalve het huis van Monet bewonderden Terra en zijn vrouw het aanpalende pand, dat in 1889 was gekocht door een welgestelde Amerikaanse schilderes, Willa Cather Perry, die evenals Monet talrijke jonge Amerikaanse kunstenaars gastvrijheid heeft verleend. Terra verwierf dit huis in 1987 volgens de beste traditie van Amerikaans zakendoen. In het plaatsje buiten Chicago waar hij woonde, kreeg hij een telefoontje dat het huis van Cather Perry te koop was. Terra belde een vriend in Washington die het Frans machtig is, sprak met hem af op het Parijse vliegveld Charles de Gaulle en reed vandaar met zijn vriend onmiddellijk naar Giverny om de koop te sluiten.

Daniel Terra was financieel manager van Ronald Reagan tijdens de verkiezingscampagne om het presidentschap in 1979. Reagan bood hem als dank voor bewezen diensten de post van 'cultureel ambassadeur' aan, een functie die speciaal (“first and only”) voor hem in het leven werd geroepen. De nieuwe ambassadeur zag zijn taak in de eerste plaats als beschermengel van de Amerikaanse kunst. Zijn "cultureel patriottisme' verhinderde echter niet dat de Franse minister van cultuur Jack Lang deze vriend van Frankrijk met een hoge onderscheiding bedacht, die volgens Terra's woordvoerder Quentin Donoghue slechts twintig andere niet-Fransen ten deel is gevallen.

Cultureel patriottisme demonstreerde Terra in elk geval ook in eigen land: hij bracht zijn verzameling van achthonderd schilderijen, waaronder zoals gezegd een groot aantal Amerikaanse impressionisten, in 1987 onder in zijn eigen museum in het centrum van Chicago, het "Terra Museum of American Art'. Op de dag dat het geopend werd, zat de ambassadeur echter in het vliegtuig om in Giverny Willa Cather Perrys huis op nummer 5, rue Claude Monet te kopen. Terra vierde de herdenking van tweehonderd jaar Franse revolutie in l989 op zijn eigen wijze in zijn eigen museum, met zijn eigen expositie, "Amerikaanse schilders in Frankrijk, 1830-1930'.

Terra wilde de schilderijen van de Amerikaanse impressionisten vanuit Chicago terugbrengen naar Giverny, waar ze zijn ontstaan. Maar zelfs een "rich man's dream' kan, de Amerikaanse culturele waarden ten spijt, niet altijd verwezenlijkt worden. De problemen in verband met veiligheid en klimaatbeheersing, om er maar enkele te noemen, bleken te groot. Maar geen nood: Terra kocht tweehonderd meter verderop (82, rue Claude Monet) een flink stuk grasland. Daar verrijst nu het museum van de Terra Foundation for the Arts dat de Amerikaanse impressionisten onderdak zal bieden.

Het museum dat nog geen officiele naam heeft, is ontworpen door de Parijse architect Philippe Robert. Het is een laag, rechthoekig bouwwerk in beton en natuursteen dat discreet tegen een heuvel aan ligt. De daken worden beplant zodat het gebouw, althans over enige jaren, nauwelijks zichtbaar meer zal zijn en een bijna natuurlijk onderdeel zal vormen van het glooiende landschap. Een langwerpige pergola voor de ingang en de omringende tuin zullen in de beste Monet-traditie een bloemenweelde te zien geven; bomenkruinen zullen de auto's op de parkeerplaats aan het zicht onttrekken. De collectie wordt in vier zalen tentoongesteld waarin het daglicht via hoge heuvelwaarts aangebrachte ramen binnenvalt. Voorts zijn er de onvermijdelijke winkel, een restaurant en een auditorium voor educatieve doeleinden.

Frankrijk krijgt er dus een contemporain museum voor niet-contemporaine kunst bij. Een museum dat architectuur en landschapskunst probeert te verenigen en waarin Amerikaanse kunst te zien zal zijn dank zij een Amerikaanse "culturele patriot' die verliefd is op Giverny: paradoxen te over. Terra's Franse museum kost honderd miljoen francs, dat is veel, maar nog altijd minder dan de bijna 128 miljoen francs die in 1988 op een veiling in Londen werd betaald voor het schilderij met de - in dit verband enigszins verwarrende - titel In de prairie van de meester met wie het in Giverny allemaal begonnen is, Claude Monet.