HET EINDE VAN CLARK "MR. INTEGRITY' CLIFFORD

Counsel to the President - a memoir door Clark Clifford (met Richard Holbrooke), 709 blz., geïll., Random House 1990, f 55,50 ISBN 0 394 56995 4

Wat brengt een man met zo'n uitzonderlijke intelligentie ertoe zijn ondergang te bewerkstelligen door zulke twijfelachtige financiële transacties aan te gaan? Deze vraag, zo vertrouwt Clark Clifford de lezer van zijn memoires toe, heeft hij zich nog vele jaren gesteld naar aanleiding van de affaire-Fortas. In 1968 moest zijn goede vriend Abe Fortas, net als Clifford politiek adviseur van president Johnson, terugtreden als kandidaat-opperrechter omdat bekend was geworden dat hij financiële transacties had afgesloten die niet door de beugel konden.

Nu staat de inmiddels vierentachtigjarige Clifford ("Mr. Integrity' is zijn bijnaam) zelf volop in de belangstelling wegens zijn prominente rol in wat zo langzamerhand een van de grootste internationale bankschandalen aller tijden is geworden, en bovendien een politiek schandaal met wereldwijde dimensies. Vorige week dinsdag zag Clifford zich gedwongen "vrijwillig' ontslag te nemen als president van de First American Bankshares, een grote Amerikaanse bank holding company, die, zo blijkt uit een onderzoek van de Amerikaanse centrale bank, illegaal werd opgekocht door BCCI om de enorme verliezen die BCCI leed, te maskeren. Clifford vond het niet nodig in zijn autobiografie aan de BCCI-affaire meer dan een voetnoot te besteden. Als we hem moeten geloven, heeft hij naar eer en geweten gehandeld toen Arabische zakenlieden hem verzochten president van First American te worden. Zijn advocatenpartner Altman werd voorzitter van de raad van bestuur. Zonder dat hij zich er van bewust zou zijn geweest, werd van zijn onkreukbare reputatie misbruik gemaakt. Nooit had hij ook maar iets gemerkt van de vele louche transacties die BCCI over de hele wereld jarenlang uitvoerde en van de feitelijke controle van BCCI over First American.

STROMANNEN

Had Clifford geweten dat het BCCI-schandaal de proporties zou aannemen die het nu heeft, dan zou hij waarschijnlijk wel méér dan een voetnoot in zijn boek aan zijn verdediging in de BBCI-affaire gewijd hebben. Zo blijkt bijvoorbeeld uit een recent onderzoek van de Federal Reserve Bank dat Clifford, die zijn schaapjes al lang op het droge had, samen met Altman, in een handomdraai en zonder enig risico miljoenen dollars heeft verdiend aan een beurstransactie die werd gefinancierd met renteloos geleend geld van een Caraïbische bank die ook al illegaal door BCCI was opgekocht. Beide heren zijn tot op heden niet in staat van beschuldiging gesteld door een openbare aanklager. Wel zullen zij volgende maand moeten verschijnen voor een commissie van het Amerikaanse Congres. Zij waren het immers die in 1981 door BCCI werden ingehuurd om de toen al argwanende Federal Reserve Bank te verzekeren dat het solide Arabische investeerders waren die een meerderheidsaandeel in First American wilden verwerven, terwijl deze in feite stromannen waren van BCCI.

Verbluft vragen de Amerikaanse media zich deze weken af hoe het met dit boegbeeld van de Amerikaanse democratische partij, de door de wol geverfde adviseur van vele presidenten en oprichter van een van de meest prestigieuze advocatenkantoren in Washington, zover heeft kunnen komen. Het ziet er in ieder geval naar uit dat in het laatste deel van zijn leven op zijn reputatie een smet zal rusten, en dat hij niet meer als de levende legende zal worden beschouwd waarvoor hij in politiek Washington de laatste jaren doorging.

Wie zijn autobiografie leest, komt er al snel achter waaruit die legende is opgebouwd. Clifford is er niet te beroerd voor zijn levensbeschrijving te larderen met citaten uit talloze complimenten die hij kreeg gedurende de vele jaren dat hij als Washington insider actief was. Complimenten van Truman tot en met Carter, en zelfs een aandoenlijke tekening van Jacqueline Kennedy als dank voor zijn succesvolle bemiddeling toen deze First Lady haar zinnen had gezet op een mooi buitenhuis in Virginia dat de vrouw die het bezat, maar niet wilde verkopen of verhuren.

POKEREN

Clifford begon zijn lange loopbaan toen hij dankzij connecties uit zijn geboortestad St. Louis door de Amerikaanse marine aan het eind van de oorlog als adviseur werd gedetacheerd bij de marine-adviseur van president Truman. Al spoedig bleek dat Clifford een goede politieke intuïtie had, en dat hij - nog belangrijker - uitstekend overweg kon met Truman. Hij werd op jonge leeftijd Trumans vertrouweling. Om aan te geven welke zware taken hij als beginnend politiek adviseur moest verrichten, opent Clifford zijn boek met een beschrijving van een belangrijke bijeenkomst, op 12 mei 1948 in het Witte Huis, waarin hij het op verzoek van Truman opnam tegen de machtige minister van Buitenlandse Zaken, George Marshall, die zich met hand en tand verzette tegen Amerikaanse erkenning van een onafhankelijke joodse staat. Clifford won, Truman nam het voor Israel cruciale besluit enkele uren na uitroeping van de onafhankelijkheid de joodse staat te erkennen. Steeds meer werd de jonge Clifford door Truman ingeschakeld, voor politiek werk, maar ook voor het opzetten van de door zijn baas zeer geliefde pokergames. Daarvoor selecteerde Clifford deelnemers bij wie Truman geen blad voor de mond hoefde te nemen.

Zijn belangrijkste bijdrage aan het Truman-tijdperk is het ontwerpen van een raamwerk voor het nationale veiligheidsbeleid, dat onder meer de CIA in het leven riep. Clifford vond het hoogst noodzakelijk dat Amerika zich ging instellen op een langdurige en scherpe confrontatie met de Sovjet-Unie, en hij adviseerde Truman daarvoor drastische stappen te ondernemen. Samen met George Elsey schreef hij kort nadat Kennan zijn historische "lange telegram' uit Moskou had gestuurd, een memorandum aan de president over de verhouding met de Sovjet-Unie. Truman vond de inhoud en aanbevelingen politiek zo explosief dat hij na lezing opdracht gaf alle exemplaren in te leveren en (op het zijne na) te vernietigen. Clifford citeert nogal selectief uit dit document, dat op grond van de historische betekenis ervan als bijlage van zijn memoires niet had mogen ontbreken. Wie het memorandum leest (de conclusies zijn te vinden in Documents on American Policy and Strategy, samengesteld door J.L. Gaddis) krijgt een vermoeden waarom Clifford de tekst achterhoudt. Er staat bijvoorbeeld een pleidooi in voor grootschalige nucleaire en zelfs biologische oorlogsvoering als antwoord op eventuele Sovjet-agressie. Ook wordt in het memorandum gewezen op de kwetsbaarheid van de Amerikaanse democratie voor communistische infiltratie, met name worden genoemd de strijdkrachten, overheidsorganen en de zware industrie. De op zich terechte opmerking die Clifford verder in zijn boek maakt over communistenjager en FBI-directeur J.Edgar Hoover ("nagenoeg een Amerikaanse fascist'), komt dan ook nogal hypocriet over tegen de achtergrond van Cliffords eigen rol in het opzwepen van de hysterie die in de jaren vijftig in Amerika over het rode gevaar ontstond.

KENNEDY-CLAN

Nog tijdens de Truman-periode besloot Clifford het Witte Huis te verlaten en een eigen advocatenkantoor op te richten, dat al snel kon rekenen op belangrijke cliënten, zoals Howard Hughes. Clifford hield naar eigen zeggen potentiële cliënten altijd voor dat zij er niet op mochten rekenen via zijn connecties in de Amerikaanse hoofdstad invloed te kunnen verwerven, maar dat hij wel waardevolle informatie kon bieden over het functioneren van de overheid (had hij zich bij BCCI maar aan deze regel gehouden!). Alsof goedbetalende cliënten hem niet zouden inhuren omdat hij als geen ander deuren kon openen, tot in het Witte Huis toe. Het ging hem met zijn advocatenfirma al na korte tijd voor de wind; uiteraard bleef hij nauw contact houden met de hoogste kringen in de Democratische Partij. Zo werd hij door de Kennedy's van tijd tot tijd voor het uitvoeren van discrete opdrachten gevraagd, zonder dat dit hem overigens in nauwer contact met de Kennedy-clan bracht.

Op het moment dat LBJ president werd, wist Clifford dat hij weer vaker op het Witte Huis zou worden ontboden. Beide hadden elkaar tijdens de Truman-regering leren kennen en respecteerden elkaar. De kroon op zijn carrière als "counsel to the president' zette hij in de roerige periode toen de Verenigde Staten door toedoen van Johnson en zijn adviseurs wegzakten in het Vietnam-moeras. De op buitenlands-politiek terrein onzekere president nam hem steeds meer in vertrouwen. Juist door zijn onafhankelijkheid was Clifford een van de weinigen die Lyndon Johnson recht in de ogen durfden te kijken. Volgens Herbert Schandler, auteur van het onvolprezen boek The Unmaking of a President - Lyndon Johnson and Vietnam, was Cliffords onafhankelijkheid, het feit dat Johnson hem als zijn gelijke beschouwde, van doorslaggevende betekenis toen na het Tet-offensief in 1968 duidelijk werd dat het Vietnambeleid om moest.

De rol die Clifford heeft gespeeld in het Vietnam-drama, is fascinerend, maar minder glorieus dan algemeen wordt aangenomen en zeker minder dan hij zelf in zijn boek schetst. Het beeld dat Clifford naar voren brengt, is er een van de adviseur die, toen Johnson inzake Vietnam in 1965 op een kruispunt stond, tegen het advies van Robert McNamara inging om voor het eerst en op grote schaal Amerikaanse gevechtstroepen in te zetten. Clifford beschrijft tot in de details hoe hij tijdens een door Johnson in Camp David opgezette confrontatie met McNamara een hartstochtelijk pleidooi hield tegen escalatie. Daarbij waarschuwde hij voor desastreuze gevolgen als de Verenigde Staten zich in een landoorlog in de jungles van Azië zouden storten. Niet dat hij het fout vond een bondgenoot op basis van de domino-theorie tegen het dreigende rode gevaar te beschermen maar - en daarin heeft de geschiedenis hem gelijk gegeven - hij zag in dat de prijs voor Amerika te hoog zou zijn. Bovendien herinnerde hij zich maar al te goed hoe president Truman politiek ten onder ging aan de zich voortslepende Korea-oorlog. Waar Clifford ook nu nog bij het schrijven van zijn memoires volstrekt aan voorbij gaat, is het karakter van de strijd in Vietnam. Een strijd waarbij in de ogen van het Vietnamese volk de Amerikanen de rol van de Fransen als ko-lonisator overnamen, en zij corrupte machthebbers in Zuid-Vietnam steunden hoewel ze beweerden dat het ging om de verdediging van democratische waarden.

HAVIK

In de Camp David-confrontatie won Clifford niet, want president Johnson besloot het advies van McNamara op te volgen. Uit loyaliteit nam Clifford zich voor, nadat het besluit was gevallen de oorlog te escaleren, Johnson te steunen bij alle verdere stappen die hieruit onvermijdelijk voortvloeiden. Het kwam zelfs zover dat hij zich in 1966 verzette tegen het idee bombardementspauzes in te lassen om te kijken of Noord-Vietnam tot onderhandelingen bereid was. Dit gaf hem ondanks zijn aanvankelijke verzet de reputatie van een havik.

Terugblikkend op de tragedie die Vietnam is geworden, en op het grote aandeel van Johnson in het ontstaan ervan, kan dan ook de vraag worden gesteld of hier geen sprake is geweest van misplaatste loyaliteit. Tenslotte ging Clifford prat op zijn onafhankelijkheid, en had hij wellicht eerder de koers kunnen wenden door openlijk stelling te nemen tegen het almaar opvoeren van de Amerikaanse troepensterkte. Clifford voert naast loyaliteit ook als argument voor zijn steun aan dat hij zichzelf inzake Vietnam niet als deskundig beschouwde. Een argument dat merkwaardig aandoet, gelet op zijn bereidheid het in het begin tegen een politiek zwaargewicht als McNamara op te nemen.

Het siert hem wel dat hij in zijn boek volmondig toegeeft de wil van Noord-Vietnam om tegen elke prijs door te vechten, volstrekt te hebben onderschat. Zijn reputatie werd in de Vietnam-periode vooral gevestigd door wat hij deed toen McNamara in 1967 aftrad omdat deze begon in te zien dat het Vietnam-beleid helemaal fout was. McNamara maakte dit duidelijk aan zijn president, die geen andere keus zag dan zijn op het punt van een zenuwinstorting staande minister van Defensie zo snel mogelijk te vervangen, mede op aanraden van Clifford, die vond dat er geen plaats was voor twijfelaars. Clifford volgde McNamara op, en hij trad aan op het moment dat het Tet-offensief in Vietnam losbarstte en elke Amerikaan op zijn televisie live kon aanschouwen hoe de Vietcong erin slaagde de Amerikaanse ambassade in Saigon binnen te dringen.

Eenmaal minister van Defensie zijnde, merkte hij dat het zo vaak door de militaire top beloofde "licht aan het einde van de tunnel', waarin hij ook zelf was gaan geloven, er niet was. Hij begon harde en fundamentele vragen te stellen over de koers die werd gevolgd, en hij kwam al spoedig tot het inzicht dat het roer om moest. De vraag was alleen hoe. Johnson en vrijwel alle adviseurs, met name Dean Rusk, hadden zich aan de Vietnam-politiek gecommitteerd, en er was al een vreselijk hoge prijs aan mensenlevens betaald.

Het is de verdienste van Clifford geweest dat hij bereid was zijn vriendschap met Johnson op te offeren aan het omturnen van de president. Clifford begon op Johnson in te praten. De verhouding tussen de president en zijn jarenlange vertrouweling verkoelde aanmerkelijk, maar Johnson respecteerde Clifford te veel om hem helemaal uit te sluiten, en uiteindelijk liet hij zich door hem overtuigen. LBJ maakte de koerswending in een dramatische speech bekend waarin hij ook tot verrassing van Clifford aankondigde zich in 1968 niet meer herkiesbaar te stellen.

De Vietnam-episode beslaat gelukkig een groot deel van Cliffords boek, want het is het politiek meest interessante deel van zijn leven. Eigenlijk had het boek daarna mogen ophouden, maar, kennelijk om aan te tonen dat niemand in Washington ook in de periode na Johnson om Clark Clifford heen kon, volgt er nog een opsomming van een reeks allang vergeten politieke kwesties waarbij presidenten hem op de een of andere manier betrokken, zoals president Carter bij de Bert Lance-affaire. Het gevolg is dat Cliffords memoires uitgaan als een nachtkaars. Het was pas echt interessant geweest als Clifford aan het einde wat meer op de BCCI-affaire was ingegaan, bijvoorbeeld op de vraag waarom een man van dik in de tachtig, al vele jaren multi-miljonair en apetrots op zijn smetteloze reputatie, zich in godsnaam laat verleiden tot duistere financiële transacties, die hem geld opleveren dat hij toch niet meer kan opmaken in de jaren die hem nu nog resten.