Gejojo met premies arbeidsongeschiktheid

DEN HAAG, 24 AUG. Een premieverlaging van ruim 4 miljard gulden in 1994 stelt het kabinet in het vooruitzicht als het zijn bezuinigingsplannen op de ziektewet- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kan realiseren. Daarmee kan het kabinet voldoen aan de norm uit het Regeerakkoord om de totale collectieve lasten (belastingen en premies) niet te laten stijgen. Tevens wordt financiële ruimte gecreëerd voor werkgevers en werknemers om zich eventueel particulier of via collectieve arbeidsovereenkomsten bij te verzekeren.

In werkelijkheid is het beeld iets minder mooi dan het kabinet voorstelt. De premieverlaging zal er ongetwijfeld komen. Maar daarbij dient te worden bedacht dat het kabinet voorafgaande aan die verlaging de premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen eerst met 2,3 miljard gulden verhoogt. Voor een deel (1,1 miljard) is die premieverhoging al in 1991 gerealiseerd. Een premieverhoging met nog eens 1,2 miljard gulden in 1994 ligt in het verschiet als een voorstel wordt uitgevoerd van de staatssecretarisen Ter Veld (Sociale Zaken) en Simons (Volksgezondheid) om in 1993 de financiering van de AAW te wijzigen. Het voorstel ligt voor advies bij een aantal instanties, waaronder de Sociale Verzekeringsraad.

Het opmerkelijke van dit gejojo met de premies voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is dat de premiestijging niet ten goede komt aan de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen maar wordt gebruikt voor financiering van uitgaven op de rijksbegroting. Dat is mogelijk doordat in 1990 als gevolg van de belastinghervorming (“Oord”) de financiering van de AAW, de algemene volksverzekering tegen inkomensderving door arbeidsongeschiktheid, is gewijzigd.

De AAW verstrekt zowel zelfstandigen als werknemers bij arbeidsongeschiktheid een basisuitkering op minimumniveau. De AAW fungeert sinds 1976 als een bodemvoorziening voor de WAO. De WAO verstrekt uitkeringen boven het AAW-niveau, waarbij de hoogte afhankelijk is van het laatst verdiende loon. Om het niet ingewikkeld te maken merkt de arbeidsongeschikte werknemer niets van die splitsing. Hij krijgt gewoon één uitkering via de WAO.

De WAO-premie wordt door werknemers betaald. Vroeger werd de AAW-premie betaald door zelfstandigen en werkgevers. Sinds 1990 wordt de AAW-premie tesamen met de AWW-premie (nabestaandenverzekering) als belasting geïnd. Het laagste tarief in de loon- en inkomstenbelasting is in verband hiermee - met uitzondering voor bejaarden - met 6 procent verhoogd. Om te voorkomen dat dit leidt tot hogere lasten voor werknemers en lagere voor werkgevers moeten de werkgevers hun personeel een toeslag op het loon geven.

Het gevolg van deze operatie was dat de overheid voortaan uit de belastingopbrengst de kosten van de AAW en AWW moest betalen via rijksbijdragen aan de betrokken sociale fondsen. Merkwaardigerwijs is in de wet slechts een minimum rijksbijdrage vastgelegd, totaal 14,1 miljard gulden, waarvan op dat moment een kleine 12 miljard bestemd was voor de AAW.

Bij zijn aantreden hield het derde kabinet-Lubbers rekening met een stijging van het aantal arbeidsongeschikten tot 1994 èn met een stijging van de belastinginkomsten voor AAW en AWW. Het kabinet reserveerde daarom netjes ruim 14,1 miljard gulden voor de AAW- AWW-uitkeringen in 1990 en liet dat bedrag oplopen naar 16,4 miljard gulden in 1994.

Het verleden heeft geleerd dat rijksbijdragen aan de sociale zekerheid kwetsbare posten zijn als er financiële problemen zijn op de rijksbegroting. Die problemen traden al snel na het aantreden van het kabinet op. In de begroting 1991 werd reeds 0,6 miljard gekort op de rijksbijdrage aan AAW-AWW en voor 1992 werd de korting bepaald op 1,1 miljard gulden. Dit geld werd besteed aan uitgaven van de departementen. Daarmee werd voorkomen dat op de begrotingen extra zou moeten worden bezuinigd.

In zijn brief aan de ministerraad van 2 april 1990 gaf minister Kok van financiën al aan wat de consequenties van die - nog beperkte- operatie zijn: stijging van de premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, die alleen maar kan worden voorkomen door bezuinigingen op de uitgaven van deze verzekeringen. De premies stegen dan ook en de bezuinigingsvoorstellen kwamen spoedig daarna.

In de Miljoenennota 1991 is voor de rijksbijdrage AAW-AWW nog steeds een bedrag gereserveerd van 15,3 miljard gulden in 1994. Maar hier zit nog een addertje onder het gras. De wet die de financiering van de rijksbijdrage aan en de belastingheffing ten bate van de AAW-AWW regelt mag slechts twee jaar functioneren. Binnenkort stelt het kabinet het parlement voor die wet met één jaar te verlengen.

In 1993 staat ons echter, volgens de plannen van Ter Veld en Simons die nu in beperkte kring circuleren, een terugkeer naar een financiering via sociale premies te wachten. Men zou mogen verwachten dat dan het tarief in de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting wordt verlaagd met 6 procent, immers het percentage waarmee het tarief in 1990 werd verhoogd. Dat is echter niet het voorstel van beide staatssecretarissen. Ze willen de tariefsverlaging beperken tot de omvang van de 14 miljard gulden aan rijksbijdragen waartoe de overheid wettelijk minimaal verplicht is. Het gevolg is dat de minister van financiën dan alsnog 1,3 miljard gulden - die nu nog gereserveerd zijn voor de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen - ter beschikking krijgt voor de rijksbegroting. Een medewerker van het AAW-fonds zegt dat het fondsbestuur hiervoor vanaf 1990 heeft gevreesd.

Het jojobeleid met de premies en het gebruiken van de sociale zekerheid om de rijksbegroting te ontlasten zijn overigens geen patenten van het huidige kabinet. Elke minister probeert de eigen begroting te ontzien. Ministers hebben daarvoor elkaars steun nodig. Dat leidt ertoe dat al gauw de hele ministerraad geneigd is naar de sector sociale zekerheid te kijken als er bezuinigingen moeten worden gevonden.