DE VRACHTWAGENCHAUFFEUR; Drie dagen zuidwaarts in een draaikolk van pk's

Werken zonder vaste verblijfplaats. Je hoort nergens thuis, maar je zit ook nergens aan vast. Een serie portretten van mensen die voor hun beroep onderweg zijn. Als vierde deel de vrachtwagenchauffeur.

BARCELONA, 24 AUG. De oversteek van het morsige washok naar de loods op de TIR parking aan de haven van Barcelona is hooguit tweehonderd meter. Maar groot genoeg om na een nachtelijk stortbad nog eens geheel doorzweet te raken. Honderden vrachtauto's uit alle windstreken staan er in slagorde opgesteld. Het gecraqueleerde asfalt is bezaaid met pallets die gebroken of half verteerde lading dragen.

De truck van Gerrit Eek staat tegenover loodsdeur 26. De schermen aan de binnenkant van de ruiten zijn neergelaten. De lucht zindert in het vaalgele schijnsel van de lantaarns. Gerrit (62) slaapt al op de onderste brits van het stapelbed achter de stoelen van chauffeur en bijrijder. De klim naar de cabine van de 380 paardekrachten sterke Renault telt vier sporten. De handgreep van het portier zit aan de onderkant. Per trede wordt het drie graden warmer. In de cabine zou het volgens Gerrit een graad of veertig zijn. Hij heeft de slaapzak tot zijn kin opgetrokken.

“Wat is het hier waanzinnig heet.” “Lekker toch, joh”, antwoordt Gerrit licht verveeld met een accent dat de ene keer Amsterdams klinkt, dan weer Utrechts. Het bovenste bed ligt veertig centimeter onder het plafond, maar gelukkig anderhalve meter boven de motor, die juist een vracht van 26 ton over 1.500 kilometer naar Spanje heeft getrokken. Verderop ronkt onophoudelijk de zware motor van een vrieswagen. Vrachtauto's draaien om de tien minuten het terrein op. Over de wanden van de cabine strijkt het licht van de koplampen. Daarna is het weer hermetisch zwart. De koelmotor slaat af, Gerrit begint licht te snurken.

Al vijf jaar vertrekt Gerrit Eek elke zondagmiddag klokslag drie van Kerkdriel, waar zijn zoon Kees een transportbedrijf heeft, naar Barcelona. En altijd gaat zijn vrouw mee. Vijf over drie kruipt de mastodont tegen de dijk. Gerrit trekt dan aan de ketting die links van hem hangt. Twee sonore claxons houden secondenlang aan, alsof de Statendam de Rotterdamse haven verlaat.

Het eerste oponthoud is Luxemburg. De Franse autobaan is voor 's zondagsavonds tien uur verboden gebied voor trucks, tenzij ze bederfelijke waar aan boord hebben of op weg naar huis zijn.

Aan de grens staan tientallen vrachtwagens schuin naast elkaar te wachten. De chauffeurs maken een praatje. Veel Deense klompen en hoog uitgesneden shirts, zodat elke tatoeage zichtbaar is. Vijf voor tien begint "het gassen'. De eerste vertrekt met veel kabaal, de rest volgt meteen. De tot dan zo rustige autobaan krijgt te maken met een invasie van rubber en staal. Drie, vier dik rammen ze Frankrijk binnen. Een citroengeel Trabantje uit de voormalige DDR raakt bijna vermorzeld in de draaikolk van PK's.

“Dit is het mooiste vak dat er bestaat”, zegt Gerrit. “Elke reis is anders. Ik zit hier voor een televisiescherm van tweeënhalve meter breed met een fantastische automobiel onder m'n kont. De ene keer zit je tegen een file aan te hikken, de andere keer in de brandende zon te braaien. Prachtig, joh. Je zal toch in een fabriek 52 weken van het jaar hetzelfde moeten doen.”

Vijf jaar geleden was hij met VUT gegaan, maar dat ging niet. Hij liep een beetje "in die tuin te kuttelen' en bemoeide zich overal mee. Toen hij met z'n vrouw had vastgesteld dat dit geen leven was, is hij voor zijn zoon gaan rijden, die ook transporten doet voor één van de grootste expeditie-bedrijven in Nederland. Deze keer moet er "groupage' naar Spanje, een verscheidenheid aan lading. Lineair poly-ethyleen in korrelvorm, assen, motoren en zaaigoed. Zesentwintig ton is net een mooie lading. Maar van tevoren is er niks van te zeggen. “Het kan ook zijn dat je van Spanje één bruidsjurk mee krijgt, die stofvrij verpakt is. De koper wil dan niet dat er nog iets anders in de wagen staat. Of één vloerkleed. Die mensen zijn bang voor schade. Ergens is het logisch. Zo'n kleed, daar zit je je leven lang tegenaan te kijken.”

's Maandagsnachts zet Gerrit "zijn circus' aan de kant, op een parkeerplaats voor Beaune. In het gebouwtje van de openbare wc's maakt hij voor het slapen gaan zijn toilet. De urine-lucht is er te snijden. Terug in de cabine neemt hij een halfje melk en neemt zijn verplichte acht uren rust. Alcohol is er niet bij onderweg. Dat kan niet van alle collega's worden gezegd. Bij de grens stond een Limburgse chauffeur al met het linkeroog in de rechterbroekzak te kijken. Voor het vertrek haalde hij nog twee pilsjes uit de koelbox en reed weg. “Een ramp,” volgens Gerrit. “Die klojo's rijden zo een combinatie van drie ton naar de Filistijnen.”

Eek is een gedisciplineerd chauffeur. Onlangs heeft hij van de verzekeringsmaatschappij een gouden kruis gekregen voor langdurig schadevrij rijden. “Een miljoen kilometer, geloof ik.”

Hij is altijd chauffeur geweest. Na twee jaar lagere school in de oorlog (“Het is wel jammer dat ik nooit m'n talen heb geleerd.”) begon ie met paard en wagen. Later kocht ie een Chevrolet, die de Amerikanen hadden achtergelaten. Dat was qua comfort iets anders dan de Renault met "airconditie' en een motor die zichzelf om de zoveel duizend kilometer automatisch smeert. “Dan zat je op een kist met stro en daar een leren dekkie overheen. 's Winters had je een pot zout naast je staan om de ruiten te ontdooien. Je sliep zittend tegen het achterwiel. Je reed natuursteen. God man, van laag naar hoog Brussel, bijvoorbeeld. Dan "fikkelde' die wagen op z'n gemak naar boven. Je legde een steen op het gaspedaal en je ging d'r naast rennen om een beetje warm te worden. Schitterend, joh.”

Als Gerrit dinsdagochtend wegrijdt van de parkeerplaats in Beaune moet hij tussen de caravans en de rennende kinderen heen manoeuvreren. Veel last van het toerisme heeft hij niet. Vanuit de drie meter hoge cabine - collega's hebben het over zijn "torenflat' - ziet hij neer op de caravans en personenauto's, waar achterin kinderen in de hitte op neergeklapte achterbanken liggen als visjes die elk moment het leven kunnen laten. Hij vreest alleen de files voor de tunnel van Lyon. “D'r zijn er altijd wel een paar op mekaar gerammeld.” Vorige week moest ie nog van de wagen af om eerste hulp te verlenen aan een meisje dat van de motorfiets was gevallen. “'t Was niet ernstig, d'r oor lag er een beetje af. Die dingen gebeuren nogal eens. Alleen dat janken, daar kan ik dan niet tegen.”

Drie maanden is "het circus' oud en er staat 80.000 kilometer op de teller. Het is een vak van onbekommerd doorrijden en wachten.

Op de TIR parking in Barcelona is het nu wachten op de douane die de boel moet "vrijmaken'; controleren of de papieren en de lading kloppen. Of er invoerrechten zijn betaald. In de brandende zon wandelen de chauffeurs van de ene vrachtwagen naar de andere. Gerrit is niet zo'n prater. Z'n "bakkie' heeft ie een poos geleden al weggedaan. Hij is niet bijster geïnteresseerd in het huwelijksleven van zijn collega's. "Stappen' in Barcelona, zoals veel collega's, doet hij ook niet. “Daar werk ik niet voor.”

Wachten en nog eens wachten. Sommige chauffeurs kijken naar de televisie die op het dashboard staat opgesteld naast een klein formaat ventilator. Geduldig en buigzaam voor de nukken van de Spaanse ambtenarij. Gerrit heeft het niet zo op die "guppen'. Als het allemaal over is wordt een nieuwe trailer aangepikt en "gaat het gas er op', richting Nederland. Weg van de verveling en de ergernis en de moordend hete nacht. Het is Gerrit z'n leven, dat hij niet anders wil. “M'n grootste straf zou zijn dat ze me van die wagen halen.”