De brievenbus

Vorige week heb ik u uitgelegd waarom je, als je 21 miljoen bezit, geen boot van 21 miljoen moet kopen wegens eten, liggelden, etc., maar er beter eentje kunt huren voor 60.000 dollar per week.

Daarop bereikten me veel brieven van lezers die meer informatie wilden hebben: wat voor soort boot, de vorm, eventuele extra aanschaffingen als een jeep aan dek, dat soort dingen. Ik heb al eerder aangestipt dat de achterzijde van de boot het belangrijkste is. Daar bevindt zich immers het zwemtrapje en het "zitje', dat zo dicht mogelijk bij de kade moet zijn en derhalve is een puntige achterzijde af te raden, tenzij u voor 20.000 dollar minder zes meter verder van de belangstellenden af wilt zitten, wat ik me nauwelijks kan voorstellen. Goedkoop is hier duurkoop.

Het wordt dus een boot met een platte, stompe, rechte achterzijde, daar moeten we niet zuinig over doen, met een reling en een loopplank. Denk nu niet schouderophalend: ja, loopplank, what else is new, want een loopplank is een uiterst belangrijk onderdeel van de boot, belangrijker dan bijvoorbeeld de motor of de kiel. Kijk, zolang de loopplank naar de kade ligt, is er geen vuiltje aan de lucht, maar hij moet bij eventueel vertrek meegenomen worden.

Grote Oceaanstomers van weleer hadden in elke haven een losse loopplank, vaak overdekt door een zeil, die hetzij haaks, hetzij langszij het schip werd gehesen, maar ze lieten die gewoon achter bij vertrek, anders hing er zo'n lelijk ding langszij, net onder de reling, een smet op de lijn. Bij oorlogsbodems (het woord oorlogsbodem komt natuurlijk uit de tijd vlak na de eeuwwisseling, toen de oorlogsschepen echt uit het water oprezen als een omgekeerde piramide, waarbij je je afvroeg of - ja zelfs vreesde dat - de boel bij het minste geringste zou omslaan. Er is zelfs een verhaal dat Engeland een tekening van een dreadnought, het befaamde hersenspinsel van de Italiaanse ingenieur Cuniberti, de Japanse geheime dienst in handen speelde die hem klakkeloos namaakte, maar door een heimelijke verandering in een van de afmetingen, viel deze oorlogsbodem geheel naar lekenverwachting, meteen om na de tewaterlating), een bijna net zo mooi woord als het Britse Man O'War, stond er dan een bootsman met een monter groepje van de wacht aan de loopplank om aantredende officieren binnen te fluiten met het bootsmansfluitje, een eer die elke Nederlandse opperofficier van de zeemacht ten deel viel als hij een marinegebouw betrad omdat die, beetje kinderachtig, als schepen werden beschouwd.

We dwalen af. De loopplank.

De loopplank moet naar binnen kunnen. Om hem door de bemanning door de gang te laten dragen teneinde hem voorop de boot neer te kwakken is niet aan te raden. Een andere methode is hem met een kraantje (op dit kraantje komen we later terug) op een hoger dek te tillen, zodat hij naast de reddingsboot komt te liggen. Ook lastig omdat het natuurlijk de vlotte afvaart van de reddingsboten bemoeilijkt. Plat tegen de brug is zeer lelijk, maar stel dat u een adequate plaats heeft op het zijdek, dan nog moet u erop staan dat het kraantje elektrisch of hydraulisch werkt. Niet met de hand, zal ik maar zeggen. Dat staat niet.

De mooiste manier is toch de brievenbus.

Men stelt zich voor een forse brievenbus net onder het achterplechtje, breed genoeg dat de loopplank erin kan schuiven. Sommige moderne boten hebben zelfs een telescopische loopplank, meer zoals een ladder van glazenwassers, die halverwege gesteund wordt door hetzelfde kraantje van daarnet. Nadeel is dan wel dat de brievenbus toch een meter onder het achterdek moet zitten, vanwege het feit dat de trap er moeiteloos in moet glijden en ook kan blijven gedurende de reis. Zeevast.

Er is dus een afstap van bijna een meter. Sommige schepen leggen daarop een schuin los plankje, maar dat wordt in regen spekglad en voor je het weet lig je met een gebroken kuitbeen naast de kade, dus dat is ook niks. De beste oplossing is een soort keukentrapje, van eiken natuurlijk, met twee koperen haakjes vastgezet, waarlangs u afdaalt. Het blijft schipperen en het staat een beetje knullig aan zo'n donkerblauw jacht met vier verdiepingen, maar beter is er gewoon niet.

Rest ons nog de stoeltjes van de twee zitjes. Moeilijke keus. Want bootmeubeltjes zijn meestal van een goedkoop, snel verouderend soort plastic. Ook die blauwe van Blokker staan niet. Het metaal wordt dof. Ik ben bang dat u erg moet gaan zoeken.

Van binnen, minder belangrijk want minder mensen zien dat, kunt u Pininfarina inschakelen als u valt op het Italiaanse minimalisme. Al het hout, ook op dek, wordt dan gepolitoerd mahonie, bekleding wit leer, alle bladen, aanrecht en bovenkanten, wit marmer. De tafel wordt gyroscopisch opgehangen. Geen, ik herhaal geen versieringen of ornamenten. Wilt u dat uw boot er uitziet als een dure flat, dan Tecnomarine, Viareggio waar Robert Metzger de inrichting doet, en dat wil zeggen geen maritieme kleuren als rood, wit of blauw, want dat is goedkoop, maar buffelhuid, gesuèdeerd, zwarte lak, geruwde zijde, maar wel weer dunne platen marmer, daar ontkomt u natuurlijk niet aan. De boot ziet er dan ongeveer uit als een Chanel-pakje.

De laatste mogelijkheid is dat de boot er gaat uitzien als een drijvend achttiende-eeuws Brits landhuis, met echt antiek (Regency, Willem IV), kersehout, perehout ingelegd met ebbehout, open haarden en een keuken die eventueel 300 gasten kan voeden. En natuurlijk weer marmeren badkamers, dat is altijd. Al dit moois kan ook in Nederland (C. van Lent, De Kaag, of Feadship-De Vries). Als u vraagt wat het kost moet u het niet doen. Een schip is een gat in het water waar men geld ingooit. Schepen worden extravaganter ingericht dan huizen.

Maar om de orde van grootte te bepalen: op de Virginian (204 voet) kost de espressomachine 20.000 gulden. Houzee!