AFRIKAANSE OLIFANTEN IN HET NAUW

To save an elephant door Allan Thornton en Dave Currey 213 blz., geïll., Doubleday 1991, f 62,80 ISBN 0 385 40111 6

To save an elephant begint als een jongensboek. Een oude zeeman maakt de milieu-activisten Allan Thornton en Dave Currey in een café deelgenoot van een gruwelijk geheim. ""Als iemand er achter komt dat ik met jullie heb zitten praten, ben ik dood,' zegt hij bij wijze van introductie. De kustvaarder Fadhil Allah, weet hij van een bemanningslid, smokkelt al jaren ivoor naar Dubai dat door stroperij in verscheidene Oostafrikaanse landen is verkregen. Een lucratieve handel, gedreven door syndicaten waarmee niet te spotten valt; de zeeman haalt ter illustratie zijn hand langs zijn keel.

Thornton en Currey nemen het verhaal serieus. Ze vermoeden dat de achteruitgang van de Afrikaanse olifant niet in de eerste plaats door aantasting van diens leefgebied wordt veroorzaakt, zoals de gangbare verklaring luidt, maar door stroperij. Ze brengen hun "Environmental Investigation Agency' in stelling en storten zich even systematisch als kloekmoedig in een onderzoek naar de handel in ivoor. Die is dan in beperkte mate toegestaan op grond van de CITES (Convention on International Trade in Endangered Species); jaarlijks mag een bepaald aantal slagtanden worden verhandeld, mits elk transport bij export is voorzien van een CITES-vergunning.

SLAGTANDEN

Het startpunt van het onderzoek is Dubai, dat de brug lijkt te vormen tussen stropers en handelaren. Het land is geen partij bij CITES en hoeft zich dus niets van vergunningen aan te trekken. Met listen en lagen weten de onderzoekers gegevens over de doorvoer van ivoor te verzamelen - honderdvijftig ton in 1987, waarvoor vijftienduizend olifanten moeten zijn gedood - en maken ze filmopnamen in een bedrijf waar slagtanden een eerste bewerking ondergaan. Het bedrijf is eigendom van een Chinees uit Hongkong, waarheen een groot deel van de honderdvijftig ton is geëxporteerd. De volgende fase van het onderzoek speelt zich dan ook in Hongkong af. Daar blijkt hoe de handel een maas in het net van CITES-regelingen benut. Men koopt legaal partijen slagtanden op, compleet met de benodigde vergunningen, laat ze snijden, verkoopt het ivoorsnijwerk, dat buiten de regeling valt, zonder papieren en voegt die vervolgens bij ladingen gestroopt ivoor.

In Kenia en Tanzania doen de onderzoekers nog meer verontrustende informatie op: slachtingen onder olifanten in natuurreservaten en nationale parken, trucs om de controle te omzeilen, corrupte douanebeambten, zwendelende missiepaters, diplomaten die hun status misbruiken om ivoor het land uit te smokkelen. Al met al wordt duidelijk dat het CITES-quoteringssysteem en het bijbehorende vergunningenstelsel in de praktijk niet werken. Daar komt bij dat het uitvoerend apparaat van CITES niet bepaald vertrouwen inboezemt.

De kleine milieu-organisatie van Thornton en Currey begint dan te ijveren voor een volledig handelsverbod. De manier waarop dat gebeurt, is zonder meer professioneel. Zo wordt het filmmateriaal van het onderzoek tot pakkende items voor de televisie gemonteerd. Bij beelden van een verweesd olifantje, ""nog in shocktoestand omdat het zijn moeder en de rest van de kudde heeft zien afslachten', wordt het publiek opgeroepen geen ivoorsnijwerk meer te kopen.

Behalve de publieke opinie moet de politieke besluitvorming worden beïnvloed. Een handelsverbod betekent wijziging van CITES, waarvoor een twee derde meerderheid is vereist. Daarnaast is het zaak zoveel mogelijk natuurbeschermingsorganisaties tot bondgenoot te maken. Het invloedrijke World Wildlife Fund (Wereld Natuur Fonds) ziet aanvankelijk meer heil in handhaving van het quoteringssysteem, en krijgt er in het boek flink van langs. ""Het WWF-beleid was vaak niet op feiten gebaseerd. Men was geneigd beloften van regeringen te geloven zonder na te gaan of ze hout sneden.' Het belangrijkste argument tegen een handelsverbod - Afrikaanse landen willen hun olifanten alleen beschermen als ze de broodnodige inkomsten uit de ivoorhandel kunnen behouden - blijkt lang niet altijd op te gaan. Tanzania bij voorbeeld verdient meer aan toerisme dan aan ivoor en wil zijn olifanten koste wat het kost beschermen. Intensief lobbyen heeft tot resultaat dat het land een voorstel voor een handelsverbod bij het CITES-secretariaat indient. De Verenigde Staten, niet de minste partij bij CITES, zijn dan al zover bewerkt dat zij het voorstel willen steunen.

KONKELEN

De ontknoping vindt plaats in oktober 1989 tijdens de jaarvergadering van CITES. Cruciaal is de bijeenkomst van de commissie die veranderingen in de bijlagen bij het verdrag behandelt. Soorten die in bijlage 1 zijn opgenomen, dreigen uit te sterven, en mogen in principe niet worden verhandeld. In een gepassioneerd verslag doen Thornton en Currey uit de doeken hoe het tenslotte lukt de Afrikaanse olifant tot deze elite te promoveren. Zij hebben het gelijk aan hun kant, daar laten ze geen misverstand over bestaan, en wie dat niet meteen inziet, is slecht of dom. Voorstanders lobbyen, tegenstanders konkelen in achterkamertjes; het CITES-secretariaat is in handen van een stel gladakkers; wat de tegenpartij te berde brengt, wordt van snijdend commentaar voorzien. Olifanten redden en de nuance zoeken, het zal moeilijk te verenigen zijn.

To save an elephant laat zich lezen als een thriller en brengt het opereren van een strijdbare milieuorganisatie treffend in beeld. De goede afloop is betrekkelijk; in een nawoord geven de schrijvers aan dat er weliswaar veel is verbeterd, maar dat smokkelpraktijken nog steeds voorkomen. Ze bereiden een tweede offensief voor. ""De ivoorhandel is tanende, maar we moeten nu de coup de grace toedienen.'