Actrice Ellen Vogel over een moeilijke leeftijd, Orestes en eigen inbreng; Ik stond te boek als ongenaakbaar

Na een jaar niet te hebben gespeeld, keert Ellen Vogel (69) dit seizoen terug in het theater. Volgende week dinsdag gaat Orestes in première, in deze "tragi-komedie in berijmde alexandrijnen' van Laurens Spoor speelt Ellen Vogel samen met onder anderen Gerardjan Rijnders, Hans Croiset en Joop Admiraal. Vanaf eind september is ze bovendien te zien in Heldenplatz bij Het Nationale Toneel.

Met Gerardjan Rijnders had ze niet eerder gewerkt, wel eens met Hans Croiset, jaren geleden in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Toen Ellen Vogel hoorde dat de twee regisseurs nu haar tegenspelers zouden zijn in Orestes, een nieuw stuk van Laurens Spoor, barstte ze naar zij zegt in lachen uit. “Ik vond het een gekke combinatie, maar de samenwerking gaat uitstekend. Vorig jaar belde Laurens Spoor mij op Mallorca en zei dat hij mij graag in de rol van Klytaimnestra wilde hebben. Ik dacht eerst dat ik daar te oud voor was, maar dat blijkt in dit stuk niet zo'n punt. Het gaat tenslotte ook om je dynamiek. Ik heb ja gezegd omdat ik het een enig stuk vond, ik viel vooral op het taalgebruik.”

Nadat ze haar verblijf in de bergen van Mallorca tijdelijk had verwisseld voor haar tweede huis in Amsterdam en hier was begonnen met de eerste repetities, kreeg ze ook een rol aangeboden in Heldenplatz, een stuk dat door Leonard Frank wordt geregisseerd bij Het Nationale Toneel. Aangezien ze in dit stuk een “piepkleine rol” heeft en alleen in de derde acte hoeft te verschijnen viel het werk te combineren. Overdag en 's avonds repeteren in Den Haag en Amsterdam is veel, geeft Ellen Vogel toe, maar het is ook leuk op hetzelfde moment aan twee produkties mee te werken die “totaal verschillend” zijn.

“Ik ben van vroeger bij de Nederlandse Comedie gewend 's avonds op te treden en overdag een nieuw stuk te repeteren. Het was gebruikelijk dat een stuk na een succesvol seizoen nog een tijd werd geprolongeerd terwijl er ondertussen andere stukken ingestudeerd moesten worden. Per jaar deed ik meestal aan vijf produkties mee: drie nieuwe en ieder jaar een maand in Gijsbreght en in de zomer Elckerlyc in Delft. Dat heb ik zestien jaar gedaan, steeds met dezelfde kostuums en mise-en-scène.”

Ellen Vogel, die in de oorlog een blauwe maandag naar de toneelschool ging en in 1945 haar debuut maakte bij Comedia, het gezelschap van haar voormalige toneelschoolleraar Cor Hermus, heeft in de afgelopen 45 jaar zo'n tweehonderd rollen gespeeld. Een belangrijk aantal daarvan vervulde ze in produkties bij de Nederlandse Comedie; na de opheffing van dit roemruchte gezelschap in 1971 trad ze voornamelijk op in vrije produkties, televisieseries, enkele films en af en toe als gast bij grote gezelschappen. Terugkijkend op de achterliggende jaren stelt Ellen Vogel vast dat acteurs geprofiteerd hebben van de ontwikkelingen die zich bij het toneel hebben voorgedaan.

“Er wordt in deze tijd van acteurs meer eigen inbreng verwacht. Vijfentwintig jaar geleden was de situatie in zekere zin dictatorialer. Een regisseur had een bepaald concept in zijn hoofd en daar hield hij aan vast. De bijdrage van acteurs was daardoor veel geringer dan nu. De manier van werken is speelser geworden, met z'n allen zoek je naar een interpretatie. Ik vind het leuk dat acteurs meer hun fantasie kunnen gebruiken.

“Han Bentz van den Berg, met wie ik veel heb gewerkt en die ik als één van onze allergrootste theatermakers beschouw, heeft altijd een zwaar stempel op zijn voorstellingen gedrukt. Hij had weliswaar een open oor voor jouw inbreng, maar de produktie kreeg toch de vorm die hij ervoor gekozen had. Lang voordat de repetities begonnen had hij alles al uitgedacht en hij kon dan ook over iedere komma in de tekst uitleg geven als iemand ernaar vroeg.”

Dit alles neemt niet weg dat Ellen Vogel de jaren bij de Nederlandse Comedie als een “fantastische tijd” omschrijft. De periode erna was daarentegen “heel moeilijk”: als gevolg van de omwenteling bij het toneel was ze niet langer vast verbonden aan een gezelschap. Ze kreeg aanvankelijk niet veel te doen, wat haar volgens eigen zeggen “erg onzeker” maakte.

Ellen Vogel: “Wat ik jammer heb gevonden is dat er in die tijd opeens nog maar één speelstijl zaligmakend was. Alles wat niet experimenteel was werd bij voorbaat afgekeurd. Ik begrijp dat niet. Er zijn wel driehonderd verschillende speelstijlen en waarom zouden die niet allemaal te zien mogen zijn? Het zal wel te maken hebben met onze calvinistische aard. Ik ben blij dat de houding tegenover acteren nu minder dogmatisch is.”

Hoewel Ellen Vogel regelmatig meedeed in blijspelen werd ze vooral geassocieerd met de klassieke vrouwenrollen die ze speelde, daardoor kreeg ze een tijd lang niet de kans te laten zien wat ze meer kon. “Misschien had ik daar zelf iets aan kunnen veranderen als ik niet zo schuw was geweest. Ik had bij voorbeeld contact kunnen zoeken met een groep als Baal, daar vroegen ze me natuurlijk niet omdat ze dachten dat ik dat niet wilde. Bovendien stond ik te boek als een ongenaakbare vrouw. Soms vroeg iemand weleens of ik een bepaalde rol wilde spelen, maar als ik dan zei dat ik het graag zou doen hoorde ik er vervolgens nooit meer iets van.

“Het had waarschijnlijk ook met mijn leeftijd te maken dat ik toen in een raar vacuüm kwam. Wie tussen de vijftig en zestig is zit als actrice in een wonderlijke leeftijdsgroep. Voor hen is er in die jaren veel minder werk dan voor mannen: je bent te oud voor de jonge rollen en te jong voor de werkelijk interessante oude rollen. Nu ben ik gelukkig over die fase heen.”

Ellen Vogel zegt dat ze altijd aarzelt aan een produktie mee te doen, toch is ze blij dat ze het aanbod van Spoor heeft geaccepteerd, al is Orestes geen gemakkelijk stuk om te spelen. Dat heeft vooral met de tekst te maken: de vele taalgrapjes, waaraan de voorstelling voor een belangrijk deel haar charme ontleent, zijn moeilijk uit het hoofd te leren. Of ze dit jaar nog meer rollen zal spelen is onduidelijk. Als ze niet optreedt gaat ze terug naar Mallorca. “Ik vind het wel prettig als ik niet het hele jaar hoef te spelen en tijd heb me op andere dingen te richten. Er is altijd wel iets te verzinnen. Ik heb me nog nooit een seconde van mijn leven verveeld.”