Zwavelluchtje

De Europese Commissie let ook op inkoopcombinaties.

V&D, Hema en Bijenkorf hebben onder die aandacht geleden. Door organisaties die gezamenlijk inkopen kan namelijk de mededinging worden beperkt. Doorgaans zijn het de kleinere bedrijven en particulieren die zich verenigen tot een inkoopcombinatie. Door de bundeling van de inkoop komt een groter inkoopvolume tot stand, hetgeen als regel betekent dat er scherpere condities bij de leveranciers kunnen worden bedongen. Maar ook grotere bedrijven als V&D, De Bijenkorf en Hema zijn, naar straks zal blijken, aangesloten bij internationale inkooporganisaties.

Natuurlijk hebben dit soort inkoopcombinaties vaak ook voordelen voor de consument: de consumentenprijs is vaak gerelateerd aan de inkoopprijs. Maar de inkoopcombinaties kunnen hun aangeslotenen ook voorwaarden opleggen, die in strijd met de in artikel 85 lid 1 van het EG-verdrag voorgeschreven vrije mededinging zijn. De kleinere inkoopcombinaties zullen overigens niet snel te lijden hebben onder dit artikel. De voor deze "kleintjes" geldende voorwaarden kunnen de mededinging alleen ongunstig beïnvloeden, aldus artikel 85 lid 1, indien dat "merkbaar" gebeurt. Kleinere rimpeltjes in de waterspiegel van de Europese concurrentievijver zijn niet alszodanig te kwalificeren. Beslissingen van de Commissie over de aanvaardbaarheid van de voorwaarden van inkooporganisaties zijn dan ook schaars.

Uit een Mededingingsverslag van de Europese Commissie blijkt dat zij een procedure heeft afgesloten, die zij had ingeleid tegen drie internationale associaties van grootwarenhuizen. Het ging om de Réunion Internationale des Magasins Populaires et Utilitaires (RIMPU), gevestigd te Parijs, waarbij onder meer de (Duitse) Kaufhalle en de Hema waren aangesloten, de Groupe Intercontinental des Grands Magasins (GIGM) te Lausanne, waartoe ook het Franse Warenhuis Printemps en V&D behoorden en de Association Commerciale Internationale (ACI), waarvan onder meer Galeries Lafayette en De Byenkorf lid waren.

De statuten van deze drie organisaties hielden de volgende vrij evidente concurrentiebeperkingen in:

Beperking van toetreding tot één lid per land (hetgeen verklaart waarom V&D, De Bijenkorf en Hema keurig over de drie organisaties waren verdeeld). Toelating van nieuwe leden alleen met algemene stemmen van de bestaande leden.

Verbod voor de leden om in het land van een ander lid activiteiten op het gebied van de detailhandel te ontplooien (een vrij zuivere concurrentiebeperking derhalve).

Omdat deze beperkingen evident in strijd waren met de regels van vrije concurrentie binnen de gemeenschappelijke markt zijn ze al tijdens de procedure vrijwillig ingetrokken door de warenhuizen. De zaak liep dus met een sisser af. Overigens bleek tijdens de procedure dat de omvang van de gemeenschappelijke inkoop zeer beperkt was. Ook de Franse inkoopcombinatie Socemas werd door de Commissie beoordeeld. Uit dat onderzoek bleek dat de leden van Socemas desgewenst vrijelijk bij anderen mochten inkopen en een eigen commercieel beleid mochten voeren. Er waren nauwelijks centraal voorgeschreven verplichtingen voor de leden (verkoopvoorwaarden; prijzen), zodat Socemas het groene licht van de Commissie kreeg.

Artikel 85 lid 3 EG-Verdrag opent de mogelijkheid dat de Commissie overeenkomsten, die in strijd zijn met artikel 85 lid 1, desalniettemin geoorloofd verklaart, dat wil zeggen "vrijstelt". In dat geval is er sprake van geoorloofde beperkingen. Een voorbeeld van zo'n vrijstelling is te vinden in de beschikking National Sulphuric Acid Association van de Europese Commissie. De National Sulphuric Acid Association koopt gemeenschappelijk zwavel in en alle leden zijn verplicht hun zwavel uitsluitend te betrekken via de inkooporganisatie.

Daar zit reeds bij eerste reuk een concurrentiebeperkend luchtje aan, waarbij overigens opmerking verdient dat er slechts een zeer beperkt aantal aanbieders van zwavel binnen de Europese Gemeenschappen is. Door de verplichting om alle zwavel via de inkooporganisatie te betrekken, konden de aangeslotenen natuurlijk niet meer vrijelijk concurreren door onderhandelingen met andere aanbieders van zwavel. Ze waren immers met handen en voeten gebonden aan de inkooporganisatie.

Aan de ene kant besefte de Europese Commissie terdege dat van belang was dat de aanvoer van zwavel continu zou worden gegarandeerd en dat de inkooporganisatie alleen doeltreffend zaken zou kunnen doen met de aanbieders van zwavel, indien de inkooporganisatie een minimumafnameverplichting op zich zou kunnen nemen. Zonder zodanige minimum afnameverplichting zou het in de praktijk veel moeilijker onderhandelen zijn met de aanbieders van zwavel. Aan de andere kant meende de Commissie dat de beperkingen, die voortvloeiden uit de verplichting voor de leden om alle zwavel via de organisatie te betrekken, te zeer in strijd waren met de vrije concurrentie. De Commissie bleek dan ook niet te willen toestaan dat de aangeslotenen bij de inkooporganisatie verplicht zouden blijven om hun gehele behoefte aan zwavel uitsluitend via de inkooporganisatie te betrekken. Maar de Commissie ging wel tot vrijstelling over nadat de afnameplicht van de leden was teruggebracht tot 25 procent. Door deze verplichte afname kon de inkooporganisatie nog redelijk slagvaardig opereren ten opzichte van de aanbieders van zwavel, terwijl de "restconcurrentie" was verzekerd: de leden konden immers 75 procent van hun behoefte elders uit de markt betrekken.