Zeekomkommer

't Zeepaard dwaalde langs de kusten: 'k Zou zo graag wat zeegras lusten; Ja, want zeegras lust ik graag. Maar er groeit daar in het lommer Enkel maar wat zeekomkommer, Die zo zwaar ligt op de maag.

Het zeepaard dwaalde doelloos verder En sprak toen tot de zeeschaapherder Met zijn zeehond aangelijnd: Ik probeer de plek te vinden Die de oorsprong is der winden En waar de zon in zee verdwijnt.

Dan moet je bij de Westpool wezen; Want, dat heb ik eens gelezen, Sprak de herder opgewekt, Je hebt een Noordpool en een Zuidpool, Maar de Oostpool en de Westpool Zijn nog altijd niet ontdekt.

Toen was het zeepaard niet te remmen: Jaren bleef het Westwaarts zwemmen; Tot het dacht: 't ging best wel vlug, Want hier is weer die zeekomkommer: 'k Ben waarachtig, kan het stommer, Bij mijn uitgangspunt terug.

Dan is er maar één conclusie: Al het zijnde is illusie - Wat is wezen, wat is schijn? Maar hier in het koele lommer, In dit bosje zeekomkommer, Hier moet dus de Westpool zijn.

Weer gingen jaren voorbij. Heleen was hem helemaal vergeten tot ze een keer de kast opendeed en toevallig omhoog keek. Daar zat haar beer, doodstil bovenin, op een plank. Teddy! Teddy! riep Heleen; zij pakte een stoel, haalde hem omlaag en omhelsde hem vurig. Teddy, snikte ze, Teddy, wat moet je eenzaam zijn geweest!