Weg van de zon

Ik maak nooit iets mee. Maar vorige week wel. Want toen zat ik in een auto die 160 en soms wel 180 kilometer per uur reed.

Het was op een snelweg, ergens in Frankrijk, en we hadden de wind in de rug. Ik zat op de achterbank een beetje naar buiten te koekeloeren. In de berm stond een groot straatnaambord, en daarop hadden ze geschreven: Route, of Autoroute, du Soleil. Dat is Frans voor Weg van de Zon, en dat klopte mooi, want wij reden van het zuiden naar het noorden, dus weg van de zon. Buiten werd het steeds bewolkter.

Toen zag ik op de kilometerteller dat we 160 reden. Dus dat was me wat, of eigenlijk niet, want als je het niet weet merk je er niet veel van. Iedereen reed daar zo hard. Hooguit word je een beetje filosofisch. Dus dan bedenk je dat zo'n snelweg eigenlijk een soort heel lange sneltrein is waarin iedereen maar wat heen en weer loopt. Je zou net zo goed alle auto's stil kunnen zetten en van het asfalt een lopende band kunnen maken. Het is met zo'n weg als met de veerpont in het lied van Drs. P. Als die maar vaak genoeg op en neer gaat, wordt hij vanzelf een brug. “En als de pont zo lang was als de breedte van de stroom- Dan kon hij blijven liggen, zei me laatst een econoom.”

Dus alles is maar relatief. Hard is alleen maar hard als je het met iets anders kunt vergelijken. Daarom rijdt Gert-Jan Theunisse, die overdag toch harder fietst dan iedereen, 's avonds wel eens met zijn bolide naar Duitsland. Want daar schijn je op de Autobahn zo hard te mogen rijden als je zelf wilt. Mooi is dat, een wielrenner die na tweehonderd kilometer fietsen uit verveling over de snelweg gaat scheuren. Misschien zijn er ook wel dammers die in hun vrije weekend voor de lol boomstammen gaan tillen. Een schoolslagzwemmer die droomt van een speedboat. Een marathonloper die spaart voor een scooter.

Wat te doen op de achterbank van een auto die met 160 over het asfalt raast, behalve uit het raampje kijken? Naar de autoradio luisteren. Die stond afgestemd op een Franse muziekzender. Ik hoorde een bekende riedel van een oud nummer, maar na het intro volgde een vreemde zanger die niet, zoals ik verwacht had, begon met ”Black is black' en ”I want my baby back', maar met ”Noir c'est noir' en nog iets dat ik niet kon verstaan. Dus dat was een Fransman die een Franse versie zong.

Daarna werd er een oud liedje van Robert Palmer gedraaid. Dat had ik ook wel eens eerder gehoord, maar toch niet in deze versie. Want daar zong me die Palmer van aujourd'hui en amour, leek mij. “Een Franse koffer”, zei ik tegen Tom die achter het stuur zat. “Waar?”, vroeg Tom, en hij begon meteen te remmen. “Hoeveel letters?”, vroeg Suzan, want die had wel weer zin in een cryptogram. “Nee”, zei ik, “een Franse cover. Van Palmer. Op de radio”, en ik wees op het kastje tussen hun knieën. “Dat is helemaal geen cover”, zei Tom die er verstand van heeft, “dat is het origineel. Luister maar. Hij zingt van running en running around. Daar is geen woord Frans bij.” Toen boog ik me nog maar eens wat naar voren om beter te luisteren. En inderdaad, toen hoorde ik ook alleen maar Engels. Maar toen ik weer achterover leunde begon die Palmer weer Frans te zingen, over moi en pour moi en zo. Dacht ik tenminste. Toen begonnen Tom en Suzan ook te twijfelen en Franse woordjes te horen, en toen hoorde ik er op mijn beurt weer Engels doorheen. En zo bleef het maar doorgaan, en toen was het nummer afgelopen en toen wisten we het nog niet en bleven wij daar met een snelheid van 160 kilometer per uur wat ontredderd achter. In het buitenland klinkt alles anders, zoveel hadden we er wel van begrepen.

En nu nog even een gedicht. Of liever gezegd, de eerste twee regels van een gedicht. Ze zijn van Judith Herzberg en het zijn de meest tweetalige regels die ik ken. Ze gaan over een man en een vrouw van wie er een Engels spreekt en een Nederlands. Ze voelen wel wat voor elkaar, maar het is de vraag of ze ooit met elkaar in gesprek zullen raken:

Will there be a net en wit geschilderd hek between their two such different wildernesses? Een hek dat piepend open kan?