Wat ik schrijf is altijd te kort; Gesprek met de schrijver A. Alberts

De schrijver A. Alberts, die vandaag tachtig wordt, vindt het niet zo'n kunst om boeken te schrijven met een min of meer autobiografische achtergrond. Voor de verhalen uit zijn studententijd draaide hij zelfs zijn hand niet om. “Dat was gemakkelijk. Doodeenvoudig. Dat was zo zeldzaam eenvoudig. Dat kan ik nu zo weer schrijven, bij wijze van spreken.” Historische romans, dat is het ware. En dan heel weinig woorden gebruiken, niet expres, maar omdat hij nu eenmaal niet anders kan.

“MISSCHIEN schei ik er vandaag of morgen ook wel helemaal mee uit,” zegt de vandaag tachtig jaar geworden schrijver tegen het eind van het gesprek. Het kan inbeelding zijn dat ik er een wat dreigende ondertoon in beluister, alsof hij wil zeggen dat hij zich mogelijk al heel binnenkort door niemand meer zal laten vermurwen om nog één pen op papier te zetten. Gelukkig heeft A. Alberts wel vaker zijn woord gebroken. Meer dan één roman is aangekondigd als de laatste. In de jaren zeventig wilde hij zijn lier ook al eens aan de wilgen hangen.

Voorlopig hoeven we ons nog geen zorgen te maken. In september verschijnt een nieuwe, als altijd kleine roman van Alberts en hij ziet helemaal niet op tegen het schrijven van het boekenweekessay dat over Insulinde, het Indonesië van voor de Tweede Wereldoorlog, zal gaan. En ik heb er stiekem ook nog wel goede hoop op dat hij zich daarna zal zetten aan zijn memoires, aan een overzicht, zjn overzicht van de twintigste eeuw, van ongeveer 1920 tot 1990.

“Het is duidelijk zo, en ik geloof dat ik dat op mijn leeftijd wel kan zeggen, dat de wereld, vergeleken met die van voor de oorlog, volkomen veranderd is, maar dan ook volkomen. De mensen, alles. Ik voel me er helemaal niet meer in thuis en ik begrijp het ook niet goed meer. Als ik nog eens iets wil schrijven, dan moet ik dat oprecht doen en de maatschappij laten zien zoals die zich onder mijn ogen heeft ontwikkeld.

“Als ik me tot Nederland beperk, dan vallen er grofweg drie soorten grote veranderingen aan te wijzen. Allereerst is het de politieke ontwikkeling die mij verontrust. Ze houden zich hier veel meer bezig met kiezers en met partijbelangen dan met een behoorlijk landsbestuur. De politieke partijen - en het kan me niet schelen welke - hebben veel te veel invloed op het dagelijks leven. Dan is er de verbijsterende technologische vooruitgang, die op zichzelf prachtig is, maar waarvoor hier, in het dichtst bevolkte land van de wereld, eenvoudig geen ruimte meer is. Je komt je huis uit, om maar eens iets te noemen en je wordt overvallen door een stroom gillende auto's. In de derde plaats - en dat is wat ik als enige positieve verandering zie, maar dan ook wel een heel belangrijke - is er de sociale ontwikkeling. Die heeft het leven er voor alle burgers een stuk draaglijker op gemaakt. We zitten nu even in een ongelukkig overgangstijdperk, maar over een jaar of twintig, vijfentwintig, dat geloof ik althans, krijgen we een rustiger maatschappij. Ik zal dat in elk geval niet meer meemaken.”

Als hij zijn leven over zou kunnen doen, en zijn familie had wat beter bij kas gezeten, dan was hij geschiedenis gaan studeren in plaats van indologie (waarvoor indertijd een studiebeurs werd verstrekt). Het is het vak waaraan hij al zijn hele leven verknocht is. Toen hij negen of tien was nam zijn oudste broer hem voor de grap een H.B.S.-eindexamen geschiedenis af. Hij slaagde met vlag en wimpel. “Ik moet in die tijd veel boeken hebben gelezen die mijn pet te boven gingen, maar ik begreep ze blijkbaar toch wel enigszins.”

In de jaren zeventig schreef Alberts een aantal geschiedenisboeken: De huzaren van Castricum (1972) over de Nederlandse Republiek van 1780 tot 1800, De Hollanders komen ons vermoorden (1975), over de scheiding tussen Noord- en Zuid-Nederland en Een koning die van geen nee wil horen (1976), over Lodewijk XIV. Ze verkochten zo slecht dat hij verder van dit soort van geschiedschrijving afzag. Achteraf vindt hij het jammer dat hij ze niet van annotaties heeft voorzien. Echte spijt heeft hij van de boekjes die hij over het koningshuis schreef, vooral dat over Wilhelmina. “Daarin heb ik veel te vriendelijk over die vrouw geschreven. Dat had ik niet moeten doen. Ik wil nog eens een bepaling maken dat die boekjes niet herdrukt mogen worden, al denk ik overigens niet dat die behoefte zal bestaan.”

Zoals hij zich als historicus vooral voordoet als een geïnteresseerde liefhebber, zo presenteert hij zich ook als schrijver van verhalend proza het liefst als iemand die weinig verstand heeft van het vak dat hij toevallig beoefent. Alberts is een zuinige schrijver. Hij is zuinig met woorden, zuinig met zinnen en zuinig met bladzijden en misschien is hij nog wel het meest zuinig op zijn talent. Wie probeert hem uit zijn tent te lokken met vragen over het hoe, wat en waarom van zijn literaire werk, wordt bijna altijd, zij het ook op de beminnelijkste wijze, op een dwaalspoor gebracht. Zorgvuldig waakt hij over zijn onschuld en ik geloof dat hij daar goed aan doet. Want het is precies deze onschuld, de afwezigheid van een commentaarstem, die zijn romans en verhalen tot zulke raadselachtige meesterwerken maakt.

ZELF maakt hij een streng onderscheid tussen zijn meer historische en zijn overige proza, dat eigenlijk altijd een meer of minder autobiografische achtergrond heeft. Zijn voorkeur gaat duidelijk uit naar historische romans als Maar geel en glanzend blijft het goud (1981), Het zand voor de kust van Aveiro (1982) en De zilveren kogel (1984). “Als ik een verhaal schrijf dat zich in de geschiedenis afspeelt, dan vind ik dat een mooiere prestatie dan wanneer ik de stof zo voor het oprapen heb, zoals dat het geval is met De bomen (1953) of De honden jagen niet meer (1979). Ik vind het wel aardig als de mensen niet kunnen merken dat je helemaal niet in Denemarken, in Portugal of in Schotland bent geweest. Ik ken het gebied waar De zilveren kogel zich afspeelt zonder dat ik het ooit heb gezien. Dat hoeft ook niet, want ik kan het met detailkaarten en mijn verbeelding gemakkelijk af. Het is een heel zuivere manier van doen. Als de wegen maar goed op de kaart staan en de bossen en de dorpen en steden, klein en groot, dan kan ik wel uit de voeten.”

TEVREDEN is hij ook over zijn nieuwe, binnenkort te verschijnen roman, De vrouw met de parasol, omdat het daarin niet over zijn eigen verleden gaat, maar over het familieverleden van zijn vrouw, dat hij alleen uit de tweede hand kent. “Voor mijzelf is het erg plezierig dat ik die mensen goed voor me zie, heel goed zelfs, terwijl ik ze nooit heb ontmoet.” Bovendien heeft hij er een historische gebeurtenis in verwerkt; het ongeluk met het passagiersschip de Berlin. In 1906 sloeg het bij hevige storm op de pieren van Hoek van Holland in stukken. “Er zijn een hoop mensen bij verdronken en er zijn er ook een paar gered. Die ramp is min of meer beroemd geworden, omdat er een verslag van in Het Leven heeft gestaan, een geïllustreerd geel blad dat ik vroeger wel eens las. Daar werd de rol van prins Hendrik, de vader van Juliana, in geroemd en niet ten onrechte hoor. Die ging gewoon met de reddingboot mee.”

Het meest relativerend laat hij zich uit over dat gedeelte van zijn werk dat hem het meest nabij is: de meer of minder autobiografische romans en verhalen, en zijn Franse, Indonesische en Utrechtse memoires. Hij aarzelt daarbij niet om de zaken wat luchtiger voor te stellen dan zij toen waren. In 1981 verzuchtte hij in Vrij Nederland dat het boek over zijn Utrechtse herinneringen niet erg wilde vlotten, omdat hij nu eenmaal geen realist was. Nu, tien jaar later zijn De Utrechtse herinneringen (1983), een verzameling interessante en hier en daar ronduit hilarische verhalen over zijn studententijd, een peuleschil geworden. “Dat was gemakkelijk. Doodeenvoudig. Dat was zo zeldzaam eenvoudig. Dat kan ik nu zo weer schrijven, bij wijze van spreken.”

OOK de problemen met De vergaderzaal (1954) - volgens de overlevering deed Alberts er twintig jaar over om de roman te voltooien - zijn in de loop van de tijd wat gekrompen. “Dat was gewoon een technische kwestie”, zegt hij op besliste toon. “Het was eigenlijk heel eenvoudig. Dat het boek destijds wel belangstelling kreeg, dat was vooral het werk van Van Oorschot. Kees van Iersel heeft er een uitstekende televisiefilm van gemaakt. Ik geloof niet dat het met het boek zelf te maken heeft gehad, dat het een tijdje in die boekentoptien heeft gestaan. Dat moet wel vooral met bijverschijnselen verband houden. Het zou kunnen dat Bernlef en Schippers er ook nog iets mee te maken hebben gehad.”

“En De bomen. Ik weet wel dat er destijds door sommigen lyrisch op is gereageerd en dat er nu ook nog steeds mensen zijn die het prachtig vinden. Maar er was ook een kritiek van Huet in de NRC van vroeger. Hij was me aan alle kanten welwillend gezind, maar hij zei ook: dit proza lijkt een beetje op beton. En toen dacht ik bij mezelf: daar heb je nog gelijk in ook. Maar ik weet niet wat ik er nu van zou vinden hoor, want ik heb het boek nooit meer gelezen.”

Het is eigenlijk niet zo vreemd of verwonderlijk dat Alberts zich juist over dit meest kwetsbare deel van zijn werk wat onverschillig uitlaat. Er valt van alles te zeggen over De bomen. Dat het een zuivere en ontroerende geschiedenis is, bijvoorbeeld, over een jongen die zich gelukkiger voelt tussen bomen dan tussen mensen. Maar het valt niet mee om over zo'n stil verhaal iets te zeggen dat niet te luid of te zwaar klinkt. Dat geldt al evenzeer voor dat andere wonder van verborgenheid en uiterste beknoptheid, de kleine familiekroniek De honden jagen niet meer, die trouwens door Alberts erkend wordt als ”vermoedelijk mijn beste roman'.

Tussen de karige woorden, de eenvoudige zinnen, de ultrakorte dialogen en de summiere gedachtengangen, wordt veel voelbaar dat onuitgesproken blijft. Hoe is het mogelijk om in niet veel meer dan 80 bladzijden een overtuigend portret van een hele familie te geven?

“IK ben wel de zwijgzaamste schrijver van Nederland genoemd. Natuurlijk ben je dat niet echt. Maar het is je stijl hè? Ik weet nog goed dat ik, toen ik pakweg een jaar of zestien, zeventien jaar was, een handtekening moest hebben van een oom. Mijn vader was overleden en die oom was de toeziend voogd van mijn broer en mij. Wij kregen een stuk dat hij mede moest ondertekenen. Ik schreef hem dit briefje: ”Beste oom, Hierbij een stuk dat uw handtekening behoeft'. Een paar weken later zei hij tegen mijn moeder dat hij nog nooit zoiets had meegemaakt, iemand die zo weinig woorden nodig had om iets duidelijk te maken.”

“Het is geen kunststuk. Het is mij aangeboren. Ik zou niet anders kunnen. Mijn proefschrift, dat is het kortste wat er ooit in Utrecht is verschenen. Groot gedrukt is het aan tekst nog geen honderd bladzijden. En de stukken die ik later voor De Groene schreef, die moesten altijd geplaatst worden met zúlke blokken interlinie. Die waren àltijd te kort, ook al sprak ik een lengte af. Ik heb nog nooit meegemaakt dat er een stuk van mij is bekort.”

“TOCH geloof ik wel dat ik in de loop der tijd vooruit ben gegaan. In De vrouw met de parasol wilde ik een beeld geven van Parijs. Ik herinnerde me dat ik een keer voor De Groene een soort impressie van Parijs had gemaakt en dat Jan Brusse, die er wel kijk op had, had gezegd dat het een heel goed stuk was. Dus ik dacht dat ik dat wel kon gebruiken. Ik wist niet meer van wanneer het was en hoe het heette, zodat ze zich er een óngeluk naar hebben gezocht. Ze stuurden me een fotokopie en het bleek nog korter te zijn dan ik had gedacht. Het was een vod. Volkomen waardeloos. Het was flauw, vervelend en kinderachtig. Ik denk wel dat ik nu beter schrijf dan toen, al weet je dat natuurlijk zelf nooit helemaal zeker. Ik lees namelijk mijn eigen boeken niet meer, behalve de historische om er af en toe iets in na te slaan. Ik heb ze trouwens ook lang niet allemaal meer. Het schrijven is voor mij belangrijker dan het boek. Als het af is, en goed af, dan geloof ik het verder wel. Dan hoef ik eigenlijk ook geen kritieken meer te lezen.”

“Ander modern proza lees ik ook praktisch niet. Ik lees vooral negentiende-eeuwse boeken, Nederlandse, Franse, Duitse en Engelse en dan kun je wel zien dat de Nederlandse literatuur wat achterblijft bij die van de omringende landen uit een vergelijkbare periode. Ik denk dat ze hier - en het is goed mogelijk dat dat ook voor mij geldt - op een te beperkt terrein van gedachten zitten. En dat ze betrekkelijk weinig openstaan voor grotere zaken. Ik heb de Camera Obscura altijd een allemachtig aardig boek gevonden, maar 't is duidelijk een klein kringetje waarin het zich afspeelt. Zo is het geloof ik nog steeds een beetje met het hedendaagse proza. Ik vind dat Nederlanders betere dichters zijn dan prozaschrijvers, dat de poëzie hier van een hoger gehalte is. Die prozaschrijvers halen het allemaal uit hun onmiddellijke omgeving. Dat vind ik toch niet de grote kunst. Dichters zijn vrijer in hun stof. Zelf kan ik nog geen behoorlijk Sinterklaasvers schrijven, maar ik lees graag moderne poëzie. Ik hou alles bij wat er in Tirade wordt gepubliceerd. H.H. ter Balkt, Kouwenaar, Judith Herzberg, Vasalis en Leo Vroman, dat zijn zo wat dichters die, vind ik, hele mooie gedichten schrijven.”

“Als er nog eens een Nobelprijs voor de literatuur wordt gegeven aan een Nederlander, dan lijkt mij dat een dichter die zou moeten krijgen. Ik heb er niet speciaal een op het oog, hoor.”