Verbroedering

Goddank bestaan er jury's. Ze zijn, als uitzondering, de bevestiging van democratie en, als tegendeel van inspraak, een ode aan de goede smaak.

Deskundig en dus bevooroordeeld vinden ze iets - de argumenten doen er niet eens toe - en die mening heeft vervolgens consequenties. Aardige consequenties, want naast het lauweren van de laureaten heeft de autocratische willekeur van de jury als het meezit getier, scheldpartijen, achterklap en verdachtmakingen tot gevolg. En dat is toch heerlijk, die mengeling van vreugde en verdriet, van opluchting en woede? Niet alleen is die op zichzelf weer een bron van amusement, maar ook een teken van belangstelling en dus van leven.

Moeten we daarom angstige conclusies trekken over de toestand van ons nationale theater? Anders dan bijvoorbeeld de jaarlijkse nominatie voor de Ako-prijs, vermag de selectie van de Theaterfestival-jury geen enkel tumult te veroorzaken. Het hele circus van de officiële bekendmaking via de televisie en het daaropvolgende gekrakeel in artikelen pro en contra en van luidruchtige mitsen en maren ontbreekt. Geen stemmetje verheft zich, nog niet een briesje steekt op. Zou het met geld te maken hebben? De aan het festival verbonden prijs bedraagt weliswaar ƒ 50.000,-, maar die wordt uitbetaald aan een groep en niet aan één persoon. Of ervaart men de aan het slot van het festival door nog weer een andere jury tot 'beste van het seizoen' uitgeroepen produktie niet echt als winnaar? Of wordt de theaterwereld beheerst door cynisme en lethargie?

Zo somber hoeft de conclusie niet te luiden. We zouden kunnen stellen, dat het Nederlandse theater eenentwintig jaar na Aktie Tomaat een zekere volwassenheid heeft bereikt. De tegenstellingen vervagen, hoezeer bijvoorbeeld het Nationale Toneel en Toneelgroep Amsterdam voorheen ook hun best hebben gedaan om een moordende concurrentie te suggereren. Alleen al de naam van het Haagse gezelschap vormt een bewijs van die strijd: dat "Nationale' was toch een steek onder water waar Amsterdam niet van terug had? De hoofdstad heeft er niet van wakker gelegen - en de residentie zelf trouwens ook niet.

Er heerst in het nationale toneel een toestand die in zekere zin te vergelijken valt met die in Hilversum. Zoals daar de ontzuiling om zich heen grijpt en voormalige gezworen vijanden de handen ineen slaan, zo kunnen tegenwoordig ook acteurs vrijelijk van gezelschap veranderen zonder dat iemand hen van overlopen zal beschuldigen. Men werkt voor wie het uitkomt, ongetwijfeld met behoud van lichte voorkeuren, maar die lijken eerder met personen dan met artistieke koers te maken te hebben. En zelfs het saaie Den Haag heeft afgelopen seizoen een omstreden voorstelling als Ivanov gebracht - een waagstuk dat artistiek leider Hans Croiset op zijn minst enkele slapeloze nachten heeft bezorgd maar dat prompt werd uitverkoren voor het festival. Die zorgen om eigen naam en faam laat Croiset in het vervolg dus ook achterwege.

De deelname van Den Haag is zo ongeveer het schokkendste aspect van dit vijfde festival, in het geheel niet schokkend dus. Hooguit ironisch is dat A hard day's night van Nieuw West geselecteerd is, terwijl de harde kern van de groep uiteengevallen is. Afgezien daarvan zou men, met een beetje kwade wil, de uitverkiezing van deze produktie modieus kunnen noemen. En met dezelfde kwade wil zou men de zoveelste deelname van Theatergroep Hollandia (met Stallerhof) kunnen gispen en die van Toneelgroep Amsterdam (met Andromache), maar dan moet men inderdaad nadrukkelijk voorbijgaan aan de kwaliteit van hun bijdragen.

Tegenover de vaste prik staat bovendien de uitsluiting van het eeuwig aanwezige Maatschappij Discordia, dat vorig jaar kennelijk niet goed genoeg zijn best heeft gedaan. Hun afwezigheid wordt evenwel gecompenseerd door het randprogramma, dat voorziet in een profiel van Discordia-leider Jan Joris Lamers en in een reading van een nieuw stuk van Gerardjan Rijnders door Lamers en consorten. Persoonlijk zou ik een profiel van de fans van Lamers leerzamer vinden, maar een halszaak valt ook van dit programma-onderdeel niet te maken.

Er heerst vreedzame coëxistentie in het vaderlandse toneel, en dat geeft niks, voor het moment. De neerslag ervan, het aanbod van het festival geeft meer dan voldoende aanleiding voor enthousiasme en buitenlandse critici hebben meer dan ooit reden tot jaloezie. Dat betekent niet dat de windstilte maar moet aanhouden. Er zijn grenzen aan verbroedering, ten gunste van artistieke vooruitgang. Opstanding van jonge horden is welkom, al was het maar opdat de oudere garde beseft dat er aan posities eisen worden gesteld. Wil de huidige kwaliteit gehandhaafd worden, dan moet er op korte termijn weer tumult ontstaan. En ruzie. En haat. Iedere aanleiding is goed.