"Vandaag moet ik op iemand schieten'

Een warme dag. De ramen van het kleine wit geschilderde houten gebouwtje staan wijd open maar binnen blijft het drukkend heet.

Het is nog druk ook, zoals zo vaak op dit soort dagen, de mensen raken opgewonden en bewegen te veel, daar komen ongelukken van. De wachtkamer is stampvol. Zusters rennen af en aan, ambulances brengen verkeersslachtoffers en er is het geschreeuw van de dronkaard die meteen geholpen wil worden.

Alle behandelkamertjes zijn bezet en de zuster komt melden dat er "iemand met problemen' in het kleine keukentje zit. Dat treft slecht: probleemgevallen vragen tijd en ze willen aandacht. Ik heb geen tijd om te praten en heb er trouwens ook geen zin in.

Hij zit naast het gasstel waarop het theewater kookt. Een man van onbestemde leeftijd zonder profiel in een vuile regenjas. Niets is opvallend aan hem, of het moest zijn dat hij geen last van de warmte lijkt te hebben. Mijn witte t-shirt kleeft aan mijn rug onder de gesteven doktersjas. Ik zet het gas af en ga zitten. Er valt een stilte, een zuchtje wind beweegt de vitrage maar brengt geen koelte in het vertrekje.

Buiten het stadsgeruis, in de verte de stampende wachtkamer. Het liefst zou ik een tijdje zwijgend naast de man zonder eigenschappen blijven zitten en thee drinken maar ik moet terug naar het actie-centrum.

“Wat scheelt eraan?” Het valt me op hoe weinig uitnodigend ik ben. Hij kijkt me niet aan, maar zegt na een korte aarzeling: “Hij zegt dat ik vandaag iemand dood moet schieten.” Zijn toon is vlak en onverschillig, alsof hij het over iets anders heeft. Als om zijn probleem te verduidelijken haalt hij een vuurwapen uit zijn jaszak en wijst ermee in mijn richting. De loopt blijft op mijn navel gericht.

Ik voel mijn hartslag in de oren bonken. Niet in paniek raken, dat is het belangrijkste: als honden ruiken dat je bang bent bijten ze. Koortsachtig probeer ik iets te verzinnen om te zeggen maar ik kan niets bedenken. Ik wil maar één ding: hier zo snel mogelijk weg. Maar als ik vlucht schiet hij misschien juist. “Het praat wat moeilijk met dat ding op me gericht, zou u het niet aan mij willen geven?” Geen reactie. Hij kijkt me aan zonder enige uitdrukking. “Wilt u het dan tenminste opbergen?” Ik verlang intens naar de drukke wachtkamer. Waarom komt er geen zuster om het theewater te halen? Maar hij doorbreekt de status-quo ineens en steekt het wapen met een bijna sloom gebaar weer in zijn regenjas. Nu of nooit. Het is eruit voordat ik hoef na te denken: “Een ogenblik, ik moet even weg, zo terug.” Zo waardig mogelijk en zonder haast probeer ik het vertrek te verlaten en haal diep adem als ik de deur sluit. De zuster wil juist het theewater halen, maar ik houd haar tegen. Een gijzeling kunnen we missen als kiespijn.

Politie bellen? Nee, zeker niet, dat escaleert en voor je 't weet wordt er echt geschoten. De psychiater dan. Die hebben ervaring met dat soort dingen.

De dienstdoende assistent luistert bereidwillig naar mijn verhaal: ... oninvoelbaar, mogelijk schizofreen, heeft de hele dag al een drang om iemand dood te schieten, heeft een vuurwapen. “Ik kom zo”, zegt hij, “neem jij hem vast dat wapen af?” Ja, zo kan ik het ook. “Daarvoor bel ik jou juist, dat wil hij mij niet geven.” Het duurt een kwartier voordat hij er is maar het lijkt eindeloos. Intussen blijft het in de keuken doodstil en zitten we zonder thee. De collega is bleek, maar vastberaden. “We komen meteen als we schoten horen”, probeer ik als laf grapje maar hij kan er niet om lachen. Rechtop stapt hij naar binnen op het onbekende af.

Het nieuws is inmiddels rondgegaan en het kost ons moeite gewoon door te werken tot we hem weer zien verschijnen, nog steeds bleek maar minder vastberaden. Zonder een woord gaat hij telefoneren. Zijn achterwacht wordt ingelicht en te hulp gevraagd. Het is even stil als deze blijkbaar iets vraagt. “Dat heb ik al geprobeerd, maar dat wil hij me niet geven”, is het antwoord. De psychiater verschijnt. Als hij bang is laat hij het niet merken. Het duurt nu zeker een half uur als plotseling de deur open gaat en hij geagiteerd met het pistool in de hand naar buiten komt. Hij heft het corpus delicti ver van zich af alsof het ieder moment kan exploderen en roept op overspannen toon: “Aan de kant! Het staat op scherp en het is geladen!”

Voorzichtig legt hij het ding op tafel en doet snel een stap terug. In een kring staan we er omheen. De man in de keuken is vergeten, niemand beweegt. Zelfs de wachtkamer en de stad in de verte lijken de adem in te houden. Een roerloze hitte hangt om het groepje mensen om de tafel met het wapen erop. Het is verstilde eindopname van een spannende film.

Dan komt als een Deus ex Machina een ambulance-broeder binnen en doorbreekt de ban: “Héé da's leuk, een alarmpistooltje!” Voordat iemand kan bewegen pakt hij het op en schiet met een sierlijk gebaar en een luide knal een losse flodder door de vitrages naar buiten in de richting van de staalblauwe hemel.