Liever een meisje

Ted van Lieshout: Majlent, jongen in meisjesdagen. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ17, 50

In veel kinderboeken gaat het om gebeurtenissen. De lezer krijgt in taal voorgeschoteld wat hij in het echt of op de televisie met het oog zou kunnen waarnemen. Door dialogen of een alwetende verteller, die de gedachten van alle personages blijkt te kennen, raakt hij ook min of meer op de hoogte van de - niet zichtbare - reacties van de verhaalfiguren. Zeldzamer en meestal ook minder geliefd bij kinderen zijn de, vaak in de ik-vorm geschreven verhalen, waarin de lezer rechtstreeks toegang heeft tot het hoofd van de verteller. Van de lezer wordt eigen activiteit gevraagd, een soort van meedenken dat moeilijker wordt naarmate de boekengedachten - als in de werkelijkheid - grilliger en ongrijpbaarder zijn. Zo'n boek is Majlent van Ted van Lieshout. Elfjarige Joeri is eenzelfde vertederende tobber met moederbinding als Tijm uit De allerliefste jongen van de hele wereld (1988). Zijn hoofd zit vol problemen, waarvan het grootste is dat hij liever een meisje zou zijn. Hij probeert zijn jongensrealiteit te bezweren door er in een dik schrift een boek over te schrijven (boeken lopen immers bijna altijd goed af) en door te hopen op een wonder. Zijn "recht' op zo'n wonder - op een ochtend piemelloos wakker worden - ontleent Joeri aan een aantal "feiten' in zijn leven. Sommige mensen denken al dat hij een meisje is, hij zou heel goed een baarmoeder en eierstokken kunnen hebben, want “ik ben namelijk nog nooit geopereerd, dus niemand kan zeker weten dat ik ze nét heb”, hij wordt verliefd op een jongen èn hij heeft zichzelf al de damesachtige nieuwe naam Majlent gegeven. Als hij een meisje was geweest, had hij volgens zijn moeder Marjoleintje geheten. Trek daar de letters Joeri vanaf en je houdt Majlent over...

Mooi is de jongen op de grens van magisch naar realistisch denken. Roerend zijn zijn ongerichte gedachtensprongen over schuld en dood, zijn zorgelijk gezoek naar oorzaak en gevolg en zijn geobsedeerde haast: “Straks kom ik in de puberteit en dan krijg ik een baard in de keel en haar op mijn kin en zo, dus dan ben ik voorgoed op weg om een man te worden. Dan is er niets meer aan te doen!” Zijn vermogen tot marchanderen is grenzeloos - als het wonder maar gebeurt, wil Joeri in ruil wel doof worden - evenals het egocentrisme, waarmee de eigen moeilijkheden tot wereldformaat worden opgeblazen.

Tot zover is Joeri-Majlent een geloofwaardige figuur die kinderen zeker zullen herkennen, zo niet in precies dezelfde problematiek, dan wel in de onmacht om met een eigenlijk onacceptabel gegeven te moeten leven. Van Lieshouts kleine verhaal gaat echter de mist in doordat hij er té veel andere toestanden bijsleept en door de enigszins geforceerde toon. Joeri kampt met een zekere mate van doofheid en hij heeft contact met de geestelijk gehandicapte buurjongen, zaken waarmee de auteur de kwestie normaal-abnormaal aan de orde kan stellen. De moeder moet met een griezelige, onduidelijke kwaal het ziekenhuis in, wat Joeri brengt tot zijn laatste inwendige "ruilhandel': het wonder hoeft niet meer, als moeder maar geen been hoeft te verliezen en weer beter wordt. Waarschijnlijk wil Van Lieshout het meisjesverlangen relativeren, maar het effect is dat het ontkracht wordt. Hetzelfde gevolg heeft de jolige afloop, waar de hoofdpersoon zijn overvloed aan creativiteit aanwendt voor de organisatie van dovenkoren, die in gebarentaal zingen. Het zijn dus blijkbaar alleen geschifte jongens die ooit het gevoel hebben in het verkeerde lijf te zitten.

Ergens in het verhaal staat: “Ik ben zo doof als een komma zonder zin.” Daar heb ik lang op zitten staren. Het lijkt een mooie, interessante vergelijking, maar als je hem goed bekijkt, blijft de bedoeling onduidelijk en is het geen komma, maar een zin zonder zin. Precies als in dat zinnetje ontbreekt ook in het verhaal een kern, waardoor wat als zeer betekenisvol wordt opgediend als losse flodders in het niets verdwijnt.