J. Six van Chandelier over branden, zeeslagen en muizenplagen; De columns van een gaggelende gans

J. Six van Chandelier: Gedichten. Studie-uitgave met inleiding en commentaar, verzorgd door A.E. Jacobs. Uitgegeven onder auspiciën van het Bureau Basisvoorziening Tekstedities der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Deel I Teksten, 890 blz.; deel II Commentaar, 947 blz. Uitg. Van Gorcum, prijs ƒ 230,-.

In de Kalverstraat te Amsterdam, vlakbij de Dam, daar waar blèrende discountzaken vol t-shirts, nappa jasjes en gedumpte cd's het hoogtepunt voor winkelend Nederland uitmaken, stond vroeger een kruidenwinkeltje. De naam daarvan luidde De Vergulde Eenhoorn en de eigenaar heette Jan Six van Chandelier. Deze Six (1620-1695) was behalve een succesvol handelaar in kruiden, een nieuwsgierig en geletterd man die veel reisde en bovendien gedichten schreef. Hij publiceerde op zijn 37ste jaar een bundel Poesy en jaren later een psalmberijming. In de nacht van 6 op 7 juli 1652 lag Jan Six in zijn bed en wel, zoals hij dat in een lang gedicht over deze nacht beschrijft, "op sachte varsche pluimen'. Hij werd wakker van "een bang gekrysch' op straat en van stemmen die "brand, brand, brand' riepen. Klokken beierden, trompetten trompetterden "en voorts kreet de blafsche hond'. Half versuft en zonder zijn kleren aan te trekken liep Six naar buiten waar hij zag dat vlakbij zijn woning het oude stadhuis op de Dam in lichterlaaie stond. Six geeft een plastische ooggetuigeverslag van de paniek, het bluswerk, de pogingen om boeken, paperassen en geld van de aldaar gevestigde Wisselbank te redden en van het toekijkende "klootjes volk'. Hij eindigt met de schuldvraag en een vermaning. Het is een prachtig voorbeeld van een reportage op rijm, een genre dat Six als geen ander beheerste.

Six van Chandelier behoort tot de minder bekende dichters uit de 17de eeuw. Huygens, Hooft, Cats en Vondel, ik geloof niet dat ze voor velen tot de dagelijkse kost behoren, maar men kent op zijn minst nog hun namen. Six is nu geëerd met een teksteditie van zijn complete dichtwerk en wel op zeer royale wijze in twee delen, bezorgd door A.E. Jacobs. Deel één bevat alle 626 bekende gedichten, in deel twee staan behalve een korte inleiding, een verantwoording en een uitvoerig interpreterend commentaar. Waarom juist Six is gekozen voor een dergelijke uitputtende editie wordt niet vermeld. Maar ik denk dat de commissie die hierover beslist Six waardeert om zijn originaliteit en dat men hoopt dat deze uitgave tot meer studie zal aanzetten, niet alleen naar de literatuurtechnische aspecten, maar ook naar het milieu waarin deze teksten een rol speelden. Six is in de literatuurgeschiedenis niet veronachtzaamd, maar hij is wel een buitenbeentje gebleven, minder intellectueel dan Huygens en Hooft, minder gedragen dan Vondel, veel frisser dan Cats, en aan de andere kant weer niet zo boertig als Focquenbroch.

Six' thematiek is biografisch van aard. Hij beschreef zijn buitenlandse reizen, naar Frankrijk, Italië en Spanje. Hij bezong zijn geliefde Roselle, hij maakte gedichten op het huwelijk en het overlijden van bekenden, op zijn lichamelijke klachten, zijn dokter en zijn kuren in Spa. Hij becommentarieerde oorlogen, zeeslagen, vredesonderhandelingen en voorvallen in de stad als zonsverduisteringen, muizenplagen, zware regenval, de pest, een dijkdoorbraak of de eerste steenlegging van de toren van de Nieuwe Kerk. De kracht van Six is zijn beeldend vermogen. Hij is een dichter met alle vijf zintuigen in opperste staat van paraatheid. Zijn beelden zijn zo plastisch, dat hij na driehonderd jaar de lezer tot deelgenoot van zijn belevingswereld weet te maken.

Spits

Wanneer Six van Chandelier nu had geleefd, zou hij ongetwijfeld een columnist van een Nederlandse krant geweest, spits, geestig en met een grote aandacht voor het detail. Zijn hoofdredacteur zou hem wel geregeld hebben moeten afremmen, wegens overschrijding van de afgesproken lengte. Maar verder kon hij zijn gang gaan omdat hij ook inzetbaar was als reizend verslaggever, in memoriam-schrijver, politiek commentator en bedenker van een actueel epigram op de voorpagina.

Er is natuurlijk een verschil. Hoewel Six af en toe polemische stukken in pamfletvorm heeft uitgegeven, schreef hij niet voor een krant. De gelegenheidsgedichten zijn waarschijnlijk eerst in handschrift verspreid onder het publiek van vrienden en familieleden. De belangstelling in een bredere kring daar buiten, maakte een uitgave verantwoord. Er is nog een ander verschil. Six vervaardigde literatuur en geen gestroomlijnde eenduidig geschreven journalistiek. In tegendeel. Hij moest zich houden aan de regels van metrum en rijm en beoefende ook de sport van het maniëristisch dubbelzinnig taalgebruik. Hoe meer omwegen, hoe meer gelaagdheid, hoe meer toespelingen op de klassieke literatuur hoe beter. Deze poëzie is in thematiek en metaforiek doordrenkt van Horatius, Vergilius en Ovidius. Voeg daarbij de vele bijbelse toespelingen, en men beseft hoeveel van Six' literaire referentiekader niet meer tot het onze behoort.

Six wist voortreffelijk de verheven elementen uit de klassieke oudheid te mengen met de alledaagsheid van het 17de-eeuwse stadsleven. Daar bereikt hij een komisch effect mee, wat grenst aan een relativering van de dichtkunst in het algemeen, of van die van hemzelf in het bijzonder. Vergeleken met de Zwaan Vondel, voelt hij zich maar een "gaggelende gans'. En in het gedicht Ydel Oogmerk van Boekschryven lezen we:

Indien men morgen my

Verkleedt, op stroo, in lykgewaaden,

Wat baat, in poësy,

Gewrocht te hebben Iliaaden?

Het vanzelfsprekende gebruik dat Six van de klassieke auteurs maakte wil niet zeggen dat elke tijdgenoot dat ook direct begreep. Maar als de 17de-eeuwer er al moeite mee kon hebben, hoe moet dat dan nu? Wie begrijpt moeiteloos wat de dichter bedoelt met al die vergelijkingen en wie weet wie Oppiaan, Kodrus, Ismenias of "Pofos Kooningin' zijn? Men moet behoorlijk puzzelen om daar uit te komen, maar het is te doen en bovendien: het ene gedicht heeft een veel hogere dosis van deze klassieke associaties dan het andere. De vele annotaties van Jacobs in deze uitgave helpen de lezer op weg bij de interpretaties.

Maar welke lezer eigenlijk?

Een uitgave als deze is niet bedoeld voor een groot publiek, de prijs en de volumineusheid der twee delen zijn daar het beste bewijs van. Jacobs schrijft in zijn inleiding bovendien dat dit werk bedoeld is "voor literatuurhistorici die deskundig zijn op het gebied van de letterkunde van de zeventiende eeuw'. Het is dus de basis voor verdere studie. Toch is het veel en veel meer dan tekst voor alleen deze gespecialiseerde doelgroep. Iedereen die geïnteresseerd is in de Nederlandse cultuur van de 17de eeuw, zou van tijd tot tijd iets van Six moeten lezen. Zijn levendigheid is aanstekelijk, sommige gedichten hebben door hun filmische kracht een effect dat ook een genreschilderij kan bereiken: men wordt het schilderij respectievelijk het gedicht binnen gezogen en met moeite beseft men dat het geen momentopnames zijn, maar kunstige constructies. Niemand zal al deze gedichten achter elkaar lezen, maar een Sixje op zijn tijd is als een verfrissende duik in de 17de eeuw. Een bloemlezing voor een breed publiek zou op zijn plaats zijn.