"Idioten, jullie lachen om jezelf!'

LENINGRAD-MOSKOU, 23 AUG. De trein schommelt door het Russische landschap van Leningrad naar Moskou, van de ene bakermat van de revolutie naar de andere. Hij heet de Aurora. Mijn medepassagiers zijn Andrej uit Tver (voorheen Kalinin), twee jongens uit Kazachstan, Nina uit een voorstadje van Moskou en een zwijgzame oudere man die bij het betreden van de coupé direct zei: “Iemand belangstelling voor verse kranten uit Leningrad?” De rest van de reis staart hij uit het raam.

Toen ik in Leningrad opgewekt in de trein stapte en de passagiers meteen om commentaar vroeg, zei Nina: “Ach wat, ik moet het allemaal nog zien. Wij worden er toch geen cent beter van. In september gaan de prijzen omhoog. Wij in Ljoebertsy wisten van niks. Het water en de elektriciteit vielen uit. Ze zeiden dat dat kwam omdat er tanks over de kabels waren gereden.” Haar stoïcijnse gelatenheid zet een domper op de feestvreugde. Iedereen verdiept zich in de kranten.

De Nevskoje Vremja opent met het onvermijdelijke gedicht "19 augustus' van Jevgeni Jevtoesjenko. “Deze dag zal bezongen worden in liederen en sagen. Vandaag zijn wij een volk en niet gewoon een stelletje door iemand belazerde stomkoppen”, zingt Jevtoesjenko, en de krant gaat verder met de “kroniek van een talentloze staatsgreep.”

Leningrads populairste blad Smena opent met de kop “Vandaag is de allermoeilijkste dag - vandaag voeren we strijd met stommelingen!” Maar het allermooiste is de Pravda: midden op de pagina, boven het verslag van de zitting van het Russische parlement, prijkt de kop “Rusland redt de Unie”. Dat moet voor Boris Jeltsin een zoete aanblik zijn.

Rechts boven op de voorpagina staat een raadselachtig commentaar waarin de redactie het betreurt dat het Centraal Comité en het politburo nog geen duidelijk standpunt hebben ingenomen over de gebeurtenissen en er nog steeds onzekerheid is over de toestand van Gorbatsjov. De redactie wijst het gebruik van geweld af en bezweert alle communisten én vaderlanders de kalmte te bewaren.

Het is stil in de coupé, iedereen leest. Plotseling kraakt de luidspreker van de interne radio en weerklinkt het overbekende stemgeluid van Gorbatsjov. Iedereen veert op, de deur gaat dicht, de radio wordt harder gezet. Daar is-ie dan!

De hele trein luistert naar de rechtstreekse uitzending van de persconferentie van de president, die pas een paar uur terug is in de hoofdstad. Er is even een moment van ontroering, dan komen de tongen los. “Wat een opluchting!”, verzucht Andrej. “Ik heb me nooit voor politiek geïnteresseerd, ik zit in zaken, maar ik heb heel wat angstige uurtjes beleefd.” In zijn woonplaats Tver zijn demonstraties geweest en de gemeenteraad heeft het omineuze Staatscomité voor de Noodtoestand niet erkend. “Wat een stelletje ellendelingen bij elkaar!”

Gorbatjovs stem klinkt eerst gespannen, vermoeid en onzeker. Dan begint hij hier en daar een grapje te maken, hij complimenteert de BBC, die hem in zijn ballingsoord op de hoogte heeft gehouden van zijn eigen gezondheidstoestand. Iedereen schiet in de lach. “Idioten”, mompelt Nina. “Jullie lachen om jezelf!”

Pag.4:

"Wat een stel ellendelingen!'

Een van de twee Kazachen verbreekt nu ook zijn stilzwijgen. Hij belde maandag uit Leningrad naar zijn geboorteplaats Tsjimkent en daar wisten ze in het geheel niet wat er aan de hand was. Gorbatsjov zou ziek zijn en de noodtoestand was uitgeroepen, meer informatie had men niet, niets over het verzet van Jeltsin, niets over de tanks. Nazarbajev, de president van Kazachstan, maande de bevolking tot kalmte en liet het daar verder bij. De Kazachse president heeft zo zijn eigen landsbeleid: politieke stabiliteit voor alles, om een economische opbloei mogelijk te maken. Nazarbajev is inmiddels uit het Centraal Comité en het politburo gestapt omdat hij aanwijzingen had dat de partij de coup gesteund heeft. Die stap lijkt eerder op een reddingspoging voor de Kazachse communistische partij, die zich nu bliksemsnel van de CPSU gaat losmaken.

Over één ding is de coupé het eens: Gorbatsjov had zich niet met laaghartiger mensen kunnen omringen en het is dus allemaal zijn eigen schuld. “Hij heeft een slang aan zijn borst gekoesterd. Janajev is natuurlijk een pion geweest, maar wat een verraad! Gorbatsjov heeft hem erdoor gedrukt als vice-president, en dan haalt hij zo'n streek uit!”

Het zijn onwaardige mensen en ze moeten voor het gerecht gesleept, vindt de Kazach. “Zag je hoe ze zich op hun eerste persconferentie gedroegen? Hun handen trilden van de zenuwen.” “Oh”, glimlacht Andrej gelukzalig, “wat gaan er nu een koppen rollen.” Loekjanov zit erachter, daar is iedereen zeker van. “Zijn vroegere vriend en studiegenoot”, smaalt Andrej.

Nu breken de vragen los op de persconferentie en Gorbatsjov begint te zweven. Hij erkent dat hij zijn mensen verkeerd heeft ingeschat. Het meeste heeft hem het verraad van minister van defensie Jazov en KGB-chef Krjoetsjkov getroffen. “Hoe kan hij dat nou ook weten”, zegt Andrej verdedigend. “Die lui praten hem allemaal naar de mond en geven hem voortdurend verkeerde informatie. Wist hij veel!” Maar dat kan bij de coupé niet door de beugel: hij had het moeten weten. Hij voelde toch het verzet van het parlement toen hij vorig jaar de kandidatuur van Janajev doordrukte?

De telefoonpalen langs de spoorlijn beginnen de uitzending nu danig te storen en we missen het laatste deel van de persconferentie. We pakken de draad weer op bij het laatste nieuws: in Litouwen is de communistische partij verboden, Pugo's zelfmoord is mislukt, het openbaar ministerie heeft een zaak geopend tegen de “putschisty”, Mojsejev is benoemd tot minister van defensie, lokale autoriteiten die het Comité hebben gesteund worden gewipt. Alsof er nooit censuur heeft bestaan.

In de gang meldt de Armeense "mafia' zich met broodjes zalm. Ik merk op dat de prijzen de laatste maanden fors zijn gestegen. “U vergist zich”, wijst de Armeniër me terecht, “we hebben ze vandaag juist gehalveerd in verband met de overwinning!”

Moskou komt in zicht. Als gebruikelijk zegt de treinmachinist door de intercom: “Onze trein nadert nu de Heldenstad Moskou”. Dat is hier een cliché-formule. Ook steden dragen in het arme Rusland trotse titels. Maar ik betrap me er op dat ik het irritante cliché voor het eerst van mijn leven met instemming begroet. Zelfs het sombere station, met zijn groepjes onduidelijke dronkaards in alle hoeken en gaten, vind ik vandaag zo beroerd nog niet.

Ik kom tien minuten te laat voor het zien neerhalen van Feliks Dzerzjinski, IJzeren Felix, op het Loebjanka Plein voor het hoofdkwartier van de KGB. Ik zie nog net hoe de cellist Mstislav Rostropovitsj met gejuich door de omstanders op de schouders wordt genomen. De grote granieten sokkel is leeg, een raar gezicht. Hij is met rode verf besmeurd. Beul, verrader, staat er met haastige letters op geklad. Jongens bikken tevergeefs met hamers aan het graniet, alsof het hier de Berlijnse Muur betreft. “Niet doen”, roept Jeltsins ordedienst, “de sokkel is van vóór de revolutie!”