Hoe droevig is het dat wij niet aardig zijn; Gesprek met toneelschrijver Alan Ayckbourn

Waarom schrijft u toch nooit over gelukkige mensen? is een vraag die de Engelse toneelschrijver Alan Ayckbourn vaak moet beantwoorden. “Ik laat zien hoe droevig het is dat mensen hun best doen om aardig te zijn en dat het dan toch soms niet lukt”, zegt Ayckbourn, wiens stukken in Engeland nu vaker worden gespeeld dan het werk van Shakespeare.

Alan Ayckbourn, toneelschrijver en theaterregisseur, is een verlegen man. Hij kijkt eerder weg dan áán. Een directe blik vindt hij moeilijk vol te houden. Maar nu volgen zijn ogen toch tersluiks de Amerikaanse free lance-journaliste, cultureel correspondent van een grote krant uit het midden van de Verenigde Staten, die zich opvallend loopt weg te cijferen.

“O sorry! O, don't mind me!” De microfoon van haar cassetterecorder valt bijkans in Ayckbourns bord met koud-buffet-eten. Ze vist hem op, plant het ding ferm naast zijn glas en sluipt op haar tenen opzichtig naar de andere kant van de tafel, vanwaar ze, leunend op de schouders van twee gegeneerde collega's, een omvangrijke lens op het gezicht van de auteur richt. Het diner waartoe het gezelschap is uitgenodigd, heeft het karakter van een ongedwongen samenzijn, zo stond op de uitnodiging. De Amerikaanse heeft dat uitgelegd als bloes en korte broek. De blauwe adertjes in haar marmerwitte dijen kleuren bij de tint van haar shorts. Ze verliest opnieuw haar evenwicht en valt nu met haar camera half in de schoot van een collega. “O, sorry! O, how stupid! O, please go on. Silly me!”

Hier, vertrouwt de Ayckbourn vergezellende pr-functionaris van Scarborough's Theater-in-den-Ronde ons later achter de hand toe, wordt de kiem van een nieuw idee voor een toneelpersonage gelegd. “Mr Ayckbourn is gefascineerd door het gedrag van die dame. Hij gaat haar vast gebruiken voor een stuk.” Tegen ons heeft Ayckbourn eerder op die binnensmondse mompeltoon die bij verlegen mensen hoort, gezegd dat hij zijn ideeën over toneelfiguren opdoet door mensen ongezien te observeren. De Amerikaanse collega, bezig met camera en microfoon, heeft het veel te druk met het stellen van indringende vragen om op dat soort antwoorden en overpeinzingen van de schrijver te kunnen letten. “O, how interesting! O, fascinating. I once had a dream, you know...” en vóórt raast ze weer, zonder acht te slaan op het effect dat ze heeft op haar directe omgeving.

Walkman

In Ayckbourns theater in Scarborough, officieel het Stephen Joseph Theatre in the Round geheten, gaat die avond een van de eerste voorstellingen van Ayckbourns 42ste avondvullende stuk, Wildest Dreams. Het is een spel waarin de toneelschrijver overduidelijk demonstreert waartoe zijn observaties kunnen leiden. Het stuk behandelt de tactieken waarvan mensen zich bedienen teneinde te ontsnappen aan de hardheid van het dagelijks bestaan. “Ik vind dat voor veertig procent fascinerend en voor zestig procent afschuwwekkend: de walkman die mensen in één huis op hun hoofd hebben, om niet met elkaar te hoeven praten.”

Het onderwerp is serieus, maar de toeschouwer ziet alleen komedie, zij het van het soort dat een mevrouw uit Ayckbourn's publiek ooit de uitspraak in de mond gaf: “Als ik geweten had waarom ik zat te lachen, zou ik er nooit mee zijn begonnen.” Verlegen of niet, met Ayckbourns vermogen tot ontleden van bij voorkeur het gedrag van the middle classes is niets aan de hand.

“Ik heb niets tegen mijn personages. Het zijn meestal aardige mensen en ze bedoelen het goed. Ik heb er heel wat meegemaakt toen ik jonger was”, legde de schrijver onlangs tegen de plaatselijke krant in Yorkshire uit. “Er zijn critici die mijn stukken niet leuk vinden omdat ze menen dat ik de draak steek met het beste wat de menselijke aard kan opbrengen. Helemaal niet. Ik laat zien hoe droevig het is dat mensen hun best doen om aardig te zijn en dat het dan toch soms niet lukt. Ik houd vol dat een heleboel van de ergste dingen die er in een bestaan kunnen voorvallen, voortkomen uit handelingen die goed bedoeld waren.”

Van alle Engelse schrijvers van hedendaags toneel is Alan Ayckbourn (52) de meest produktieve en de meest gespeelde. Volgens zijn biografie worden er in Engeland nu meer produkties van zijn stukken gespeeld dan van William Shakespeare (44). Deze zomer worden er vijf tegelijk in het West End opgevoerd. Ayckbourns stukken zijn vertaald in 24 talen en worden overal ter wereld telkens opnieuw voor het voetlicht gebracht. Sir Peter Hall noemt hem “de chroniqueur bij uitstek van de inhaligheid en het egoïsme dat in het Thatchertijdperk hoogtij vierde”, vurige bewonderaars nemen het begrip "de Ibsen van Scarborough' in de mond, maar critici die veel van zijn werk gezien hebben verwijten hem gebrek aan diepgang in het schetsen van zijn karakters. Ayckbourn houdt, als elke acteur en auteur in elk interview, vol dat hij nooit kritieken leest. Zijn mentor, de theaterdirecteur Stephen Joseph, naar wie de schouwburg in Scarborough is genoemd, heeft hem al vroeg ingeprent om “in godsnaam niet te geloven in je eigen reputatie en je eigen publiciteit”.

Erfenis

Ayckbourn laat nooit na de naam van Joseph te vermelden. Stephen Joseph was Ayckbourns eerste werkgever, “een krankzinnige persoonlijkheid”. Toen de jonge Alan klaagde dat hij als acteur niet voldoende aan de bak kwam, was het Joseph die hem aanmoedigde zelf een stuk te schrijven, gericht op een belangrijke rol voor hemzelf. Joseph nam dit en volgende stukken in produktie voor zijn "theater in den ronde' in Scarborough. Ayckbourn leidde zo vanaf 1957 een dubbel bestaan als acteur en schrijver. “Toen Joseph in 1967 stierf, erfde ik het theater als het ware”, zegt Ayckbourn. Met uitzondering van een uitstapje van twee jaar naar het National Theatre in Londen, heeft hij die erfenis nu bijna een kwart eeuw beheerd. Elk jaar schrijft Ayckbourn de schrijver een nieuw toneelstuk dat elk jaar bij Ayckbourn de artistiek leider van de schouwburg in Scarborough in première gaat.

Scarborough is een soort Scheveningen aan de noord-oostkust van Engeland. Veel vergane glorie en een boulevard die het goedkoopste en lelijkste soort vermaak te bieden heeft waartoe Engelsen in staat zijn. Ayckbourn zelf slaat elk jaar weer een zucht van verlichting als het winter wordt en de toeristen verdwijnen. Het theater is gevestigd in een oud schoolgebouw. Er is geen proscenium, geen decor, alleen een speelvloer waaromheen driehonderd toeschouwers kunnen zitten. In de pauzes is het gemakkelijk om dwars door de opstelling op de vloer naar de bar te lopen. Het publiek, ruige Yorkshire-mannen en -vrouwen, doet dat ook en in de koffiekamer dienen ze Ayckbourn graag van advies over zijn laatste produkt. Als een stuk hier een succes wordt, vindt Ayckbourn, kan het de kritiek in Londen in het algemeen veilig doorstaan.

Brievenbus

Er was een tijd, niet zo heel lang geleden, dat Ayckbourn zichzelf dwong tot de produktie van één stuk per jaar door ver voor er een letter op papier stond spelers aan te zoeken, een titel te afficheren en speeldata af te spreken. Zo'n hekel aan schrijven had hij, dat hij alleen de pen op papier kon krijgen in de wetenschap dat acteurs over drie dagen de eerste lezing van het stuk zouden hebben. Dan sloot hij zich op in zijn kamer en schreef, drie tot vier nachten lang. Op de avond voor de eerste lezing haastte hij zich dan door de stad om nog net op tijd kopieën in de brievenbussen van spelers en speelsters te stoppen. Sinds kort heeft hij voor zichzelf erkend dat dit gekkenwerk is. Een nieuw stuk vergt negen maanden, van conceptie tot voltooiing en het opschrijven is “niet meer dan het vullen van een doek”, iets wat hij nu een maand vóór de eerste repetitie voor elkaar krijgt. Ironisch zegt hij dat het helpt dat hij weet dat de regisseur geen veranderingen zal eisen. “Je werk geaccepteerd krijgen is een probleem dat anderen hebben. Ik niet. Ik heb een hekel aan schrijven, maar het regisseren van je eigen werk is leuk.

“Mijn thematiek wordt somberder en somberder. Het zijn "maatschappelijke' stukken en ik reageer op wat ik om me heen zie. "Waarom schrijft u toch nooit over gelukkige mensen?' wordt me wel gevraagd. Drama gaat nou eenmaal gemakkelijker over de onvolmaaktheden van het bestaan, thuis en meer en meer in de samenleving.”

Ayckbourns verklaart het succes waarmee zijn oer-Engelse stukken in het buitenland worden geproduceerd, met de constatering dat in Japan en Duitsland de mensen elkaar kennelijk even beroerd behandelen als hier. “Ik schrijf nu eenmaal de familie-advertenties - geboorte, dood, huwelijk - van de toneelpagina. De principes zijn kennelijk over de hele wereld dezelfde.”

Kinderen

Inmiddels poogt hij zich los te maken uit die toenemende somberheid door met opzet voor kinderen te schrijven. Christmas versus Mastermind werd dertig jaar geleden "een ramp'. Nu heeft hij The Revenger's Comedy voltooid, een ouderwets, uren durend drama met 42 actes en 17 spelers, dat met opzet is gericht op volwassenen èn kinderen.

“Dat is het soort publiek, waarvan ik het meest geniet. Je kunt kinderen in je verhaal meenemen in donkere hoekjes en geheimzinnige kasten, maar ze dwingen je ze ook weer mee terug te nemen uit het donker. Kinderen laten zich overal mee naartoe nemen, ze springen maar al te gretig met je van de rotsen af. En dat kan niet. Die opdracht heeft me dus werkelijk verlost uit het hard nosed-stramien.”

Griff Rhys Jones en Joanna Lumley nemen dit verhaal over twee vreemdelingen die elkaar ontmoeten als ze op Albert Bridge in Londen zelfmoord willen plegen, deze herfst in première in Scarborough. Ayckbourn heeft daarnaast nog drie stukken die, zoals hij het uitdrukt, liggen te wachten tot ze in Londen in produktie kunnen. Als de nieuwe ideeën mochten opdrogen, liggen er uit het verleden nog zes concept-stukken "op de plank' - ze moeten alleen nog even worden opgeschreven.

Het soort toneelschrijver dat Ayckbourn vertegenwoordigt, is een uitstervend ras en dat gaat hem aan het hart. “Wie is er na onze generatie - Stoppard, Frayne, Gray, Hare - aan de bak? Ik zie niemand. Ja, talent genoeg, maar het meeste verdwijnt naar de televisie. Die betaalt je voor een stuk ongeacht of het goed of slecht is. In het theater krijg je alleen een voorschot. Iemand als Harold Pinter zegt dat hij uit het theater nog nooit een cent verdiend heeft, wel uit de televisie en de bioscoop.”

Te weinig ondersteuning van de toneelwereld maakt dat aankomende schrijvers liever een goedbetaalde aflevering van Coronation Street leveren dan dat ze een slecht betaalde afwijzing in de theaterwereld riskeren, zegt Ayckbourn. En schrijven voor televisie “ontwikkelt een ander soort spierkracht dan je voor theater nodig hebt”. Hij zelf wijt zijn trouw aan het theater vooral aan Stephen Joseph, die zes stukken met "schandalige recensies' tolereerde voor het West End interesse begon te tonen voor de produkties van de jonge acteur-schrijver in Scarborough. Ayckbourn is net een samenwerkingsverband aangegaan met ARTTS (The Advanced Residential Theatre and Television School), een professionele opleiding voor theater en televisie in het landelijke Bubwith, niet ver van York. Zijn doel is de cursisten als toneelschrijvers-in-spe de gelegenheid te geven hun werk in elk geval opgevoerd te zien. Een andere bijdrage aan de toekomst van het ambacht is de vervulling, volgend jaar, van de Cameron Mackintosh-leerstoel voor Eigentijds Theater aan de Universiteit van Oxford. Ayckbourn treedt daarmee in de voetsporen van Stephen Sondheim en Sir Ian McKellen.

Professor-voor-een-jaar Ayckbourn is van plan in Oxford vooral veel praktisch ambachtelijk advies over te dragen. Hij vindt het hoogleraarschap eervol en een beetje griezelig. Zelf is hij nooit naar een universiteit geweest en dus is het “fascinerend om aan te zitten aan de high table”, waar hij zich voelt als “een clown die ronddanst in een mijnenveld”. “Je hebt net één van je gesprekpartners in een hokje geplaatst en dan blijkt hij filosoof te zijn. Bij een bedrijf in telecommunicatiemiddelen.”