Het zelfzuchtige zingen van de castraten; Een kanarie in een olifant

Op zijn best klinkt de zang van castraten als de volmaakte begoocheling van het gehoor, op zijn slechts als de snerpende toon van een fluitketel. Onlangs verscheen een cd met muziek uit het begin van deze eeuw van de allerlaatste castraat: Alessandro Moreschi.

Patrick Barbier: Triomf en tragiek der castraten. 269 pag. Uitg. Bruna. Prijs ƒ 34,50. Moreschi - The last castrato: Opal cd 9823. Pavillion Records Ltd. Sparrows Green, Wadhurst, E. Sussex, Engeland.

Slechts even overlapten het voorgoed voorbije verleden en het allereerste begin van de moderne techniek elkaar. In 1902 en 1904 werden in het Vaticaan grammofoonopnamen gemaakt van Alessandro Moreschi, de laatste castraat. Eindelijk zijn die sinds lang obscure zeventien opnamen nu voor iedereen te horen, voor het eerst bijeengebracht op een cd.

De castraatzang is altijd al omgeven geweest door een wufte sfeer van schandaal, geheimzinnigheid, spektakel, perversiteit en dubbele moraal. Die ambivalentie spreekt ook uit de titel van het nieuwe boek daarover van Patrick Barbier: Triomf en tragiek der castraten. Barbier vertelt veel aardigs en interessants, maar de toon is vaak wat onzakelijk en babbelig, de observaties en conclusies zijn meestal te algemeen, en in zijn oordelen gaat hij soms te veel uit van de hedendaagse normen. De triomf uit de boektitel behoorde toe aan de zangers die succes hadden en schatrijk werden, zoals Farinelli, die tegen een fabuleuze beloning tien jaar lang elke avond altijd dezelfde vier aria's moest zingen om de depressiviteit van de Spaanse koning Filips V wat te verlichten. De tragiek was voorbestemd aan de mannen die ondanks een intensieve scholing in Napels uiteindelijk totaal niet bleken te kunnen zingen en voorgoed ontmand andere broodwinning en levensgeluk moesten vinden.

De Nederlandse vertaling van het boek wordt tijdens het Festival Oude Muziek gepresenteerd na een concert op 5 september waarop de Amerikaan Derek Lee Ragin zijn kunsten laten horen in castraatrepertoire. Ragin is een countertenor, maar hoe hoog we dat tegenwoordig ook vinden, zijn optreden is natuurlijk geen vergelijk met de castraatzang. Die "kunst' hoorde in een tijd waarin de opera functioneerde als een soort revue die vooral in Italië vaak nauwelijks meer was dan de aanleiding tot lichtzinnig vermaak, drankgebruik en erger. De castraat was een soort kermisattractie, zijn persoonlijke optreden was voor het publiek van veel groter belang dan de kwaliteit van het werk van de componist.

De eerste keer dat ik een aantal opnamen van de laatste castraat Alessandro Moreschi hoorde was jaren geleden op een plaat Le voci di Roma: Romeinse zangers uit lang vervlogen tijden, geproduceerd door de "Timaclub'. Het was met een gelimiteerde oplage een typische liefhebbers-uitgave, met toelichtingen die waren gekopieerd van teksten die zo uit de schrijfmachine kwamen. In tegenstelling tot Barbier en de producent van de cd had de Timaclub tenminste ook de beschikking over echte foto's van Moreschi. De aankoop van deze zeldzame dubbel-lp geschiedde jaren geleden in Bologna, uitsluitend op voorspraak en onder de toonbank! Castraten hebben altijd extreme reacties opgeroepen. Voor de meeste toehoorders waren de - voor mannen - onwaarschijnlijke hoogte van hun stemmen, hun bovenmenselijk instrumentaal aandoende zangtechniek, de schijnbaar eeuwig durende en duizelingwekkende noten de volmaakte begoocheling van het gehoor. Voor een minderheid was het optreden niet meer dan aanleiding tot lachlust en spotzucht.

Ook een serieus boek als The castrati in opera (1956) van Angus Heriot bestaat voor een groot deel uit anekdotes en roddels die behoren tot de meest verbazingwekkende en hilarische uit de de muziekgeschiedenis èn de medische wetenschap. Zoals de verhalen over de castraat die tòch vader werd, over de castraat in travestie die een buitengewoon vasthoudende minnaar achter zich aan kreeg en over de vrouwen die zich vermomden als castraat, omdat die meer werk hadden en beter verdienden.

En dan was er natuurlijk de hormonaal geheel onmogelijke affaire van de "natuurlijke' castraatzanger, die niet was gecastreerd maar wiens testikels niet in het scrotum waren ingedaald. Tijdens een optreden schoten ze er opeens toch in, waardoor hij nog tijdens de voorstelling de baard in de keel kreeg en tegelijkertijd zijn jongenssopraan èn zijn knapenonschuld verloor.

Leuk zijn ook al die smoezen die destijds werden verzonnen om het toch vaak als schaamtevol ervaren feit te maskeren dat de ouders van de zanger destijds terwille van het toekomstige geld hun kind hadden laten verminken. Men vertelde dan bij voorbeeld dat op een onbewaakt moment helaas een varken even had toegehapt.

Zo, zonder testikels, bleef de knaap een jongenssopraan. De adamsappel ontwikkelde zich niet, maar de rest van het lichaam wel, vaak zelfs veel sterker dan normaal. Zo beschikte de castraat over een naar verhouding klein strottehoofd met daaronder een forse borstkas vol met longen, en de bijna onuitputtelijke hoeveelheid lucht hoefde eindeloos lang slechts door minimale stemspleten te worden geventileerd.

De castraat op zijn best was een canaro elefante: de stem van een kanarie in het lichaam van een olifant. De castraat op zijn slechtst is schril en snerpend, of lijkt een jankende fluitketel. Voor sommigen is de Moreschi-cd met zijn soms wankelende en falende opnamen, dan ook niet veel meer dan afgrijselijk kattengejammer, op zijn gunstigst resulterend in het oordeel dat de laatste castraat zeker niet de beste was. Maar voor anderen is het een uniek document, een bron van opperste ontroering en heftig terugverlangen naar de tijd waarin het menselijk onmogelijke door een kunstgreep toch werd omgezet in realiteit.

Pauwen

Moreschi was, toen zijn stem werd vastgelegd, al een levend fossiel. Drie jaar na zijn geboorte in 1858 stierf immers Giovanni Battista Velluti op tachtigjarige leeftijd. Velluti was de laatste castraatzanger die nog triomfen had gevierd op het operatoneel. Toen het jongetje Alessandro Moreschi werd gecastreerd was dat al meer dan veertig jaar geleden.

Na zijn zangcarrière werd Velluti een hereboer en was de rol van de castraatzangers in de opera uitgespeeld. Rossini verbood al in het begin van de negentiende eeuw het zelfzuchtige en eigenmachtige gekwinkeleer van de castraten, voor wie de noten van de componist slechts een aanleiding waren om als pauwen te pronken met hun eigen kunsten. Hun glorietijd lag in de zeventiende en achttiende eeuw. Velluti was na de Napoleontische tijd, toen deze verminking van het menselijk lichaam als een overleefde aberratie werd beschouwd, al een uniek fenomeen.

Alleen in de etherisch hoge en polyfone Rooms-Katholieke kerkmuziek, de oorsprong van het verschijnsel castraatzang, hadden de castraten in de vorige eeuw nog een beperkte functie, die bovendien buitengewoon dubbelzinnig was. Officieel was de kerk immers sterk tegen het castreren van knapen om hen zo hun jongenssopraanstem te laten behouden. Maar in de praktijk, als het nu eenmaal toch was gebeurd, zongen de castraten daar hun hoogste lied ter ere van de Allerhoogste. Zij werden dan beschouwd als rein en door God verkozen.

De zeventien opnamen die Fred en Will Gaisberg maakten voor The Gramophone & Typewriter Company laten Alessandro Moreschi op twee manieren horen: als solist en als lid van het koor dat hijzelf dirigeerde. Het repertoire is zeer gevarieerd: Gregoriaans (Incipit lamentatio), Bach (Gounods versie van het Ave Maria), Palestrina (Cruda mia nemica), Mozart (Ave verum), Rossini (twee maal het Crucifixus uit de Petite Messe Solenelle) en vooral eigentijdse componisten als Pratese, Terziani, Meluzzi en Tosti. In de sterk gemaniëreerde zangstijl is het een rozenkrans van pastelkleurige vocale bidprentjes, besloten met een 45 seconden durende toegift: paus Leo XII, 93 jaar oud, spreekt op 5 februari 1903 het Ave Maria.

Een nauwkeurige beschrijving en beoordeling van wat men hoort zijn eigenlijk onmogelijk, zo curieus en wisselend van kwaliteit is zijn voordracht en zo ongehoord is nu zijn stijl met verglijdende versieringsnootjes. Als men Moreschi - toen midden in de veertig - tussen de ruis door beluistert, lijkt hij soms een zeer bejaarde sopraan. Een soort oma, zij het dan toch met een niet ècht vrouwelijke stem, die nog eens zingt zoals vroeger. Soms lukt dat niet helemaal, maar soms op miraculeuze wijze wèl. Aan het slot van zijn versie van Tosti's Ideale klinkt er zelfs enthousiast applaus van de omstanders.

Moreschi, in 1913 als zanger gepensioneerd, overleed 64 jaar oud in 1922, geheel in vergetelheid. Maar zijn stem is daaraan als door een wonder nog net ontrukt en de bijzonderste die men kan horen. En als er een hemel is weet men hoe hij daar nu zingt voor de Allerhoogste.